Oud-katholiek Utrecht

April | Brief aan een goede vriend (3)

Brief aan een goede vriend (3)

Beste Roland,

We zijn alweer op weg naar de vierde zondag in de Veertigdagentijd. Dat wil zeggen dat we op de helft zijn, tussen Aswoensdag en Paaszaterdag.

Zoals alle zondagen in deze bijzondere tijd, heeft ook deze een naam,ontleend aan de introïtus: Laetare , verblijdt u!

Verblijdt u met Jeruzalem. Die oproep doet wat wonderlijk aan in deze weken die ons aansporen om met Jezus op te trekken naar de stad waar het lijden, het verraad, martelingen en de kruisdood hem wachten. De Kerk bewaart de gedachtenis van het lijden en sterven van onze Heer Jezus Christus. De grondslag van het volk van God is de voortdurende en actuele presentie van het offer dat Hij heeft gebracht op Golgotha, zijn leven weggeschonken in de dood. Wij vieren dit met heel de Kerk wereldwijd in de Eucharistie, het geheim van de Tegenwoordigheid die maakt dat wij deel hebben aan het offer dat Hij voor de wereld, voor ons mensen heeft gebracht.

Eens en voor altijd, niet in een ver verleden en dat was het dan, maar als levende werkelijkheid in onze levensdagen.

Het is door het kruis dat de vreugde in de wereld is gekomen.

Blaise Pascal. de grote geleerde uit onze kerkgeschiedenis, maakte duidelijk hoezeer dit offer van Christus ons aangaat: zolang deze presentie duurt, mogen wij niet slapen. Christenen zijn een wakker volk, ook al weten wij maar al te goed dat onze ogen dikwijls zwaar zijn. Zodat onze opdracht, onze roeping ons kan ontgaan.

De Veertigdagentijd is niet een treurig en mismoedig tijdsbestek. Verblijdt u met Jeruzalem, de stad waar de mensen bijeen zijn in het leven van alle dag. De stad van hoogtepunten en dieptepunten, van feesten en rouwbeklag. De stad die de last van de geschiedenis draagt en de hoop van de toekomst.

Naar die stad worden wij verwezen, zondag aanstaande in het bijzonder, op die zondag Laetare. Burgers zijn wij van die stad van de belofte; het is er nog niet, maar het komt. Zoals we eens burgers zullen zijn van het hemels Jeruzalem.

Je vroeg mij of het niet nadelig is voor het goede verstaan om zo weinig te spreken over de Vasten, terwijl we nog niet zo erg lang geleden niet anders deden. Heeft het veranderde spraakgebruik er niet toe bij gedragen dat de vastenpraktijk in de zin van onthechting, afzien van voedsel en luxe, van uitgaan en vermaak, bijna verdwenen is?

Als je zoals jij nu, woont in een land waar soberheid en armoede normaal zijn en het dagelijks leven bepalen, doet het haast bespottelijk aan om aan te dringen op vasten en onthouding. Denken wij, maar jij liet mij weten dat het toch anders is dan wij in ons rijk land ons voorstellen. Het besef dat juist een arm mens zijn bestaan mag delen met de Heer Jezus, die arm geworden is om ons rijk te maken, dat besef is een bron van kracht in het geloofsleven van mensen.

Wie dat verstaat, denk ik nu, gaat ook iets begrijpen van de zondag Laetare, van die verheugenis die wij met Jeruzalem, stad van de belofte mogen delen.

Enkele dagen geleden hadden we in een kleine kring van mensen een gesprek over deze dingen en hoe wij konden omgaan met de invulling van een vernieuwde kerkelijke praktijk. Want er is niet zonder meer sprake van slijtage en gemis, maar er doen zich mogelijkheden voor die juist in ons huidige spreken naar voren komen.

Het belangrijkste punt dat werd genoemd was de constatering dat de Kerk kan aansluiten bij het moderne levensgevoel en bij de levenspraktijk van de meeste mensen. Terwijl het woord ‘vasten’ een kleine groep aanspreekt en dan nog vanuit verschillende overwegingen, biedt de Veertigdagentijd een ruimte en een uitdaging om op volstrekt eigen wijze Christus te volgen op zijn weg naar het kruis. Om straks Pasen te vieren, bevrijdend en getroost, feest te vieren omdat het de Heer is die deze dag gemaakt heeft.

De dag waarop het Halleluja klinkt als een uitroep van blijdschap, die we samen als gemeente beleven uit het diepst van ons hart. Een Halleluja dat uitgroeit tot een koor, in zijn meerstemmigheid één van hart en ziel.

Je eigen invulling geven aan deze tijd van bezinning en dan weten dat je dat niet alleen doet maar samen als gemeente, als mensen die wezenlijke dingen gemeenschappelijk hebben en delen, hoe verschillend wij ook zijn.

Afgelopen zondag kreeg onze vastenactie een extra accent door de aanwezigheid van pastor Hans de Rie van het binnenstadpastoraat in het oude Westen van Rotterdam. Dat is de grote wijk rond de Oud-Katholieke Paradijskerk aan de Nieuwe Binnenweg, het prachtige gebouw dat wonderbaarlijk gespaard is in de meidagen van 1940. Hans de Rie was bij ons die morgen en preekte; aanstekelijk, overtuigend,enthousiast en ontroerend. Het ging over mensen, zoals het Jezus te doen is om mensen als hij zegt: ga uit op de straten en de pleinen van de stad en nodig ze binnen te komen. Woorden van die strekking en toegepast op die grote stad Rotterdam met zijn vele probleemwijken en wat al niet. Onze centjes, ons Vastenoffer. is voor het werk dat onze binnenstadpastor daar doet. De straat op en het biddende hart van de Paradijskerk kloppende houden. Deze bewogen zondag werd er ook aan onze harten geklopt, zodat het niet bij centjes blijft.

Dag Roland, alle goeds!

Van kerk en wereld

Samen op de aarde,

dat beloofde land,

God zal ons bewaren,

want Hij houdt in stand

wat Hij heeft geschapen

met zijn hand, zijn woord.

Hij zal niet verlaten

wat Hem toebehoort.

t Westen en het oosten,

voor en nageslacht,

om zijn naam te troosten

zijn ze aangebracht.

Om zijn naam te prijzen

gaf Hij zon en maan,

wijzen en onwijzen

gunt Hij één bestaan.

Israël, Egypte,

stem en tegenstem,

hoogtepunt en diepte-

alles zegent Hem,

want Hij zal verzoenen

wat vijandig is,

nieuwe namen noemen

voor een oud gemis.

Kerk en wereld samen,

vasteland en zee,

worden ja en amen,

Ja uit ja en nee.

Willem Barnard OKG 837