PDF Print

Altijd doorgaan met vragen

Zondag 20 oktober werkte de geluidsinstallatie niet. Hoewel er goed gevierd is konden weinigen de preek van kanunnik Paul Brommet goed verstaan. Hier volgt op verzoek zijn tekst.

Soms gebeurt het wel eens dat je dingen hebt gedaan waarvan je eigenlijk wel weet dat ze niet door de beugel kunnen. Zoiets bezwaart je gemoed. Het liefst wil je het weg stoppen en het vooral maar niet meer onder ogen zien. Diepweg weet je wel dat je pogingen zou moeten doen om je fouten te herstellen. Maar ja, dan moet je je ook blootgeven van je slechte kanten en dat vermijden we het liefste. Ingeklemd zijn tussen het geweten en de schaamte is pijnlijk en beangstigend. Toch moet er een stap gezet worden om daarvan vrij te komen.

Het is de situatie van Jakob uit de eerste lezing. Hij was weggevlucht vanwege zijn dubbele bedrog. Eerst bedroog hij zijn broer Esau om het eerstgeboorterecht te krijgen en daarna zijn vader Izaäk om dat te bezegelen met diens zegen.

Nu was hij op de terugweg. Er was dreiging. Hij had zich dan wel verzoend met Laban, die hij verliet, maar toch…Hij had een bode gezonden naar zijn broer Esau om zich met hem te verzoenen. Hij hoorde dat Esau hem met 400 man tegemoet kwam. Aangestuurd door zijn geweten, moest hij nu angstig rekenen met de gevolgen daarvan.

Nu was hij bij de beek Jabbok. Hij zette zijn vrouw en zijn kinderen veiligheidshalve over en bleef zelf alleen achter.

Alleen, zoals Mozes zich terugtrok om tot zichzelf te komen en God te zoeken, zoals Elia zich terugtrok op de berg Horeb en Jezus de woestijn in trok om te bidden en de strijd met de satan aan te gaan. Zo ging Jakob alleen slapen, aan de oever van het water.

Opeens is er een gestalte bij hem die hem aanpakt. Er ontstaat een worsteling. Wie is die gestalte, een grenssoldaat, zijn broer Esau die hem aan wil pakken? Ligt Jakob met zichzelf overhoop en vecht hij met zijn eigen schaduw? Is het een engel, worstelt Jakob met God?

Het is de donkerte van zijn ziel, die nacht. Alles wat hij liefheeft en alles wat hij heeft opgebouwd en mee kon nemen, ligt aan de overkant. Jakob is alleen. Hij kan geen vraag meer ontlopen: wie ben ik? waarheen ga ik. Ten koste van wie of wat heb ik alles gewonnen? Is wat ik aan bezit heb vergaard mijn enige zegen, of is er meer?

“Laat mij gaan, want het wordt al dag.” Is hij bang dat hij herkend wordt? Wie is hij?

“Ik laat u niet gaan, tenzij u mij zegent” zegt Jakob dan.

“Hoe is je naam?” ”Jakob” antwoordde hij.

Hier kantelt dan zijn levensverhaal. Jakob is zijn naam. De bedrieger. Zodra hij zijn naam noemt, ligt als het ware zijn hele hebben en houden met al zijn donkere kanten op straat. Immers met je naam wordt heel je wezen uitgedrukt. “Hoe heet je…?” Zijn blinde vader Izaäk had die vraag ook al gesteld.

“Ik ben Jakob” Hoe kort kan een biecht zijn. Jakob zoekt het niet langer in list en bedrog. Hij wil die donkere kant van zijn leven niet langer ontkennen. “U vroeg mijn naam?” “Mijn naam is Jakob!”

“Voortaan zal je naam niet Jakob zijn, maar Israël, want je hebt met God en de mensen gestreden en je hebt gewonnen.”

Jakob wordt niet als Jakob gezegend maar als Israël. Onder het verleden wordt een dikke streep getrokken. Zijn zonden zijn hem vergeven en hij mag naar de overkant. Daar mag je wonen, daar is jou plaats, Israël. Wat een belofte, wat een grootheid spreekt hier uit. Zouden wij dat kunnen met de zogenoemde IS bruiden en hun kinderen. “Wij vergeven jullie, hier is jullie plaats, hier mogen jullie wonen?

Hoe scherp staat tegenover dit verhaal de gelijkenis van Jezus over de rechter. Deze meende dat hij boven God en de mensen was verheven en kon doen zoals het hem beliefde.

De weduwe echter zat als het ware in het verdomhoekje. Ze staat er alleen voor en niemand wil haar helpen. In de bijbel wordt het juist steeds voor deze figuren opgenomen de weduwen en wezen, de zwakken en de zieken. Als je God wilt dienen, dien dan juist deze mensen, die mensen die geen helper hebben.

De weduwe uit de gelijkenis is niet zwak. Ze geeft niet op en blijft de rechter bestoken met de vraag om recht te doen. Jezus zegt het zijn volgelingen: altijd doorgaan met vragen. Zonder ophouden bidden. En als je zonder ophouden moet bidden, kun je dat niet steeds met gevouwen handen en knielend in een kerkbank. Dan bidt je terwijl je werkt, in de auto of op de fiets, in de kroeg of in de keuken of het toilet.

Bidden is dan zo breed als het leven breed is en je kunt het doen op veel manieren en met vele inhouden: danken, vragen, jammeren, klagen, biechten, tot inkeer komen, bidden om wijsheid of overgave. Je kunt nooit zeggen “Ik heb niets met God”.

De weduwe volhardt en blijft vragen, ze lijkt wel op Israël, het vragende volk bij uitstek. Heel de geschiedenis door bleef het vragen.

Ook de weduwe houdt maar vol en gunt de onrechtvaardige rechter geen rust. Uiteindelijk haalt die dan bakzeil: “Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen, toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij mij komen en vliegt ze mij nog aan.” Die rechter doet het dus alleen maar om van het gezeur af te zijn.

“Hoeveel te meer”, zegt Jezus “zal God dan recht doen aan de zijnen die dag en nacht tot hem roepen?’

Soms lijkt het erop dat God zelf ook trekken vertoont van die onrechtvaardige rechter. Ik heb wel eens iemand begraven die op het laatst van haar leven gezegd heeft dat ze boven met God nog wel wat te verhapstukken heeft. Ik geloof niet dat ze met die uitspraak de genegenheid van God heeft verspeeld. Ze bleef geloven ondanks alles wat niet goed was gegaan, kon ze ook haar zegeningen tellen. Worstelen met God is niet alleen voorbehouden aan Jakob.

Misschien maakt ons vragen ons juist ook ontvankelijk voor de vragen van God, de soms pijnlijke vragen: “Waar ben je? waar is je broeder Abel, Kaïn? Hoe heet je?”

Luisteren naar de vragen van God, brengt ons dichter bij ons zelf en dichter bij Gods vrede en gerechtigheid. Het leert ons om ook onze eigen schaduwzijden onder ogen te zien en stimuleert ons daar overheen te komen.

Jezus sluit deze gelijkenis ook af met een vraag: Maar als de mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?

De angstige vraag van ons of wij als mens wel gehoor vinden bij God draait hij radicaal om met de vraag of als hij wederkomt er nog wel een mens is die naar God vraagt.

Dat niet aflatende vragen zoals bij de weduwe, het schriftwoord onderwijzen, weerleggen, verbeteren , gebruiken om op te voeden zoals Paulus dat schrijft, maar ook dat eerlijke antwoorden van Jakob bij de Jabbok, is het geloof dat Jezus zoekt bij ons.

Laten we dus met vragen naar huis gaan. Antwoorden komen wel, soms uit een heel onverwachte hoek. 

Paul Brommet

*