PDF Print

In het hart van de zaak 5

Somber en zwartgallig is de Vastentijd niet. Het gaat niet zonder ernst- wat moeten we met platte taal en goedkope smoesjes die we dagelijks om ons heen vernemen en waaraan we ons zelf ook wel eens schuldig maken- maar die ernst maakt dat we weer eens aandachtig gaan luisteren en wie weet wat gaan doen. Christenen zijn toch vooral doeners van het woord, zegt de apostel Jakobus in zijn brief en zo niet dan moeten we ons afvragen of ons geloof niet dood is en dat het de hoogste tijd is om te herleven. Dat laatste is toch wel ons diepste verlangen, dat er leven in ons is, ëcht leven waardoor je niet vroegtijdig levensmoe wordt, maar van dag tot dag mag ontdekken dat je innerlijke mens vernieuwd wordt. De christelijke spirituele literatuur en het dagelijkse gebed van de Kerk is daar vol van.

 

Zelfs in de grote ernst van de vastentijd, waar het in feite gaat om een zaak van leven en dood,

Is de kleur in de kerk niet zwart, maar paars. Er mag verdriet zijn en het besef dat het bestaan in de wereld van vandaag ons zwaar belast, maar er is toch altijd ook dat straaltje van licht. Van opheldering en verwachting, zolas we dat ook kennen in deze tijd van het jaar, in het vroege voorjaar als straks de lente aanbreekt, In de tuin staan nu de eerste sneeuwklokjes en krokussen als kleine voorboden van dat wat komt en dat zich straks weer uitbundig aan ons vertoont. We hebben in ons gezangboek (OKG 538) een lied dat berust op een oud volksliedje dat we kennen als ‘De winter is vergangen’. Als kerklied ondersteunt het een verlangen naar Pasen: ‘we zullen U aanschouwen als Gij verrezen zijt’.

hblijdschap roert zich. Maar de derde, de vierde, Halfvasten genaamd en Palmzondag kennen de glans van de glorie. Dat is nog meer dan onze blijdschap dat we samen als gemeente, als een stukje kerk van de mensen, elkaar daarin herkennen, dat we mogen vieren omdat Hij de Levende in ons midden is. Aan dat paasgeheim hebben we deel in Woord en sacrament met Hem: midden in de dood zijn we in het leven!

 

Zondag 7 maart, de derde zondag, heet Oculi, Mijn ogen zijn altijd op de Heer. Wend U tot mij en ontferm U over mij, want eenzaam en ellendig ik. Zo begint de Introïtus en dan denken we aan wat ons deze morgen wordt verteld. Over Mozes, de vluchteling terwijl zijn volksgenoten achter blijven in het land Egypte, in de macht van Farao die beschikt over leven of dood. Mozes ziet aan de voet van de berg brandende braamstruiken, een vuur dat niet dooft. God ontmoet hem daar en roept Mozes op om naar Farao te gaan en hem op te roepen zijn slavenvolkje te laten weggaan uit Egypte. Dat is echt Oculi, daar staat Mozes, eenzaam en ellendig. Hij vraagt God naar zijn naam. Hij krijgt geen naam, hoe zouden wij de Eeuwige, de Heilige die alle verstand te boven gaat, kunnen benoemen.

Een ding moet je weten, Mozes, waar je ook heengaat en ongeacht de omstandigheden, Ik ben die is, Ik ben die Ik zal zijn.

 

Toch al wat blijdschap, toch al de glans van de glorie? In het evangelie van deze zondag speelt zich een menselijk drama af, menselijke ellende die vraagt om bekering. Zoals jullie het nu doen in je dagelijks bestaan, zo gaat het niet goed. Het blijkt een doodlopende weg, je bent slaaf van je eigen levenskeuzen. Het verhaaltje van de vijgenboom die geen vruchten draagt onderstreept de dorheid van het leven, los van de Grond van het bestaan.

De glans van Gods barmhartigheid en Gods geduld verheldert op deze morgen onze tocht op weg naar Pasen!

 

Gebed

 

U bent liefde ,Vader in de hemel.

Zo zegt uw woord, U bent liefde,

Zo roepen wij allen in onze zwakheid

en in onze kracht,

zowel in goede als in kwade dagen..

U bent liefde, heilige Vader, goede Jezus

heilige Geest.

In deze liefde zijn wij allen diep geborgen,

met heel ons leven,

zodat wij in vreugde en in dankbaarheid

 

van U en met U miogen leven.

U bent liefde

omdat U midden onder ons bent,

omdat U onze zwakheid en armoede

niet aanziet en veroordeelt.

U omarmt en troost ons oneindig

met uw heilige Tegenwoordigheid.

U bent liefde,

Heilige Vader,

Eeuwige God,

Drieënige Liefde.

 

 

Zo ga ik U tegemoet

 

Zo ga ik U tegemoet. Nog ben ik

van U verwijderd, nog haakt mijn adem

achter de tijd, omklemmen mijn handen

de wering van feit en taak. Gij weet,

Mijn God, hoeveel ik nog heb te doen

 

en wat ik voor U wil zijn. Ik dank U,

Gij zijt mijn geluk, al ben ik uw schande,

 

uw sterven met die op de wereld zijn,

al draag ik onwillig uw lijden en dood.

Ik geloof in het eeuwige leven. Amen.

 

Gabriël Smit

*