PDF Print

In het hart van de zaak 7



Veertien dagen voor Paaszondag krijgt het lijden van onze Heer Jezus Christus een overwegend accent. Op de vorige zondagen troffen we verschillende motieven die de aloude herkomst verraden van deze tijd als voorbereidingtijd voor de geloofsleerlingen, mensen die het verlangen kenbaar hebben gemaakt om in de Paasnacht te worden opgenomen in de gemeenschap van de katholieke kerk, in ons geval diegenen die straks zullen toetreden tot onze gemeenschap van de Oud-Katholieke kerk.


Vanaf komende zondag, 21 maart, zijn de kruisbeelden bedekt met een paars kleed, een velum dat het lichaam van Jezus verhult. Gelovige mensen weten wel wat daarachter schuilgaat, maar het om goed om juist door dit ongewone eraan te worden herinnerd dat het beeld van de Verlosser ons wekelijks doet bedenken wie wij zijn: verloste mensen die leven uit de rijkdom van Gods genade. Mensen die samenkomen rondom het kruis.


Pasen is méér dan het feest van de verrijzenis. Pasen is de overgang van de dood naar het leven en dat beleven wij in de drie dagen van donderdagavond tot paaszondag

Volgende week komt dat aan de orde, als Palmzondag eraan komt met de palmtakken maar ook de pijnlijke roep 'kruisig hem'.


Maar nu eerst deze zondag Judica, naar de Latijnse beginwoorden van de Introïtus Doe mij recht , o God, bepleit Gij mijn zaak tegen dit volk dat geen trouw kent, van de mens vol bedrog en valsheid verlos mij, want Gij Heer,Gij zijt mijn God, bij U vind ik mijn toevlucht.

De psalmverzen die daarbij horen zijn uit psalm 43, die wij vooral kennen uit onze liturgie als we ons voornemen uitspreken om op te gaan naar het altaar Gods. Tot God die altijd weer mijn ziel met vreugde vervult, voegen we eraan toe en daaruit spreekt onze verwondering want het leven is immers niet altijd zo blij en zo vrolijk en staat er zelfs van Jezus niet geschreven dat zijn ziel zeer angstig en bevreesd begon te worden op de Olijfberg in de nacht van het verraad!

Deze aanvechting die ons mensen bedreigt en ons niet vreemd voorkomt, wordt niet ontkend op deze dag. Want het evangelieverhaal uit Lucas 20,9-19, dat handelt over pachters die de verschuldigde pacht niet willen afstaan en daarmee het vertrouwen schenden van de eigenaar van de wijngaard, stopt niet halverwege. Het gaat door tot het bittere eind; ze vermoorden de zoon van de eigenaar voor ze zeker respect hadden moeten hebben en die bitterheid klinkt ook door in de aanzegging van de heer dat hij zal komen, ze zal verdelgen en de wijngaard aan anderen geven.

Jezus heeft een conflict met de leden van de Hoge Raad, de mannen aan de top die moeten zorgen dat het volk trouw blijft aan zijn roeping;volk te zijn van God, te werken aan een goede aarde, vrucht voort te brengen en niet dor en onvruchtbaar te zijn, zoals we dit nog hoorden op de derde zondag in deze vastentijd. Hij spreekt tot de mensen, maar de mannen in Jeruzalem die het voor het zeggen hebben, begrijpen heel goed dat hij hen op het oog heeft.

En Jezus weet dat ze tot het uiterste zullen gaan; ze doden de geliefde zoon van de eigenaar en gooien van buiten de wijngaard.

Ze erkennen niemand boven zich, ze laten zich niet gezeggen, maar ze zullen worden weggevaagd als doodslagers, pachters die de wijngaard niet waard zijn.


Wie zijn dan toch 'die anderen' waarvan Jezus spreekt? Zijn het wellicht leiders uit het volk, mensen voor de gewone man waar psalm 72 over spreekt: voor kleine mensen is Hij bereikbaar? Of heidense, dat wil zeggen niet-joodse, overheersers, zoals die Perzische koning Cyrus, zijn woorden vormen de laatste woorden van de hebreeuwse bijbel die eindigen met de vervulling van Gods volk onderweg, als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap.

(2 Kronieken 36, 22-23)

Of zijn het de twaalf apostelen die naar het woord van de Heer zullen zitten uit twaalf tronen om rechtvaardig te oordelen over de volkeren?


Genoeg voor nu. We begrijpen dat het lijden van de Heer Jezus, zijn sterven, zijn dood aan het kruis om buiten geworpen te worden, dat dit alles te maken heeft met hoe het verder is gegaan en nog verder gaat in onze dagen, dat het alles te maken heeft met ons leven


Gedenken wij dankbaar de daden des Heren!



Gebed tot de komende


U die de komende bent


gekruisigde Heer,

kies onder ons uw weg van liefde.

Laten we zelf tot palmtakken worden

die u begroeten, blij en sterk.

Wij zijn vaak zo moe

van het wachten en zwoegen,

komt u tot spoedig

dichtbij ons Heer.


Wij willen u graag gastvrij verwachten

maar we hebben het zo druk met wat wij moeten doen.

Wij leven in de benauwdheid van onze bezigheden

en we verliezen het visioen daarachter uit het oog'

Breek zelf door onze weerstanden heer, bidden wij u.

en neem ons als gast op in uw rijk en uw ruimte

waart wij bevrijd mogen zijn van onszelf,

waar wij vol mogen zijn met uw vrede


Uit: Klein Handvest


Van de opgang


Alles wat over ons geschreven is

gaat Gij volbrengen deze laatste dagen;

de tien geboden en de veertig slagen,

dit hele leven dat geen leven is.


De schepping die voor ons gesloten was

ontsluit Gij weer, Gij opent onze ogen.

O Zoon van David, wees met ons bewogen,

Het vuur van bloed en ziel brandde tot as.


Maar, Heer, de haard van uw aanwezigheid

zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken.

Gij waart met ons, Gij zult ons niet ontbreken,

Gij Hogepriester in der eeuwigheid.


Gij onderhoudt de vlam van ons bestaan.

Aan U, o Heer, ontleent het brood zijn leven.

Ons is een loflied in de mond gegeven

Sinds Gij de weg van 't offer zijt gegaan.


OKG 619 Willem \Barnard


*