PDF Print

In het hart van de zaak 11


De zondagen van de paastijd hebben een verschillend karakter. De eerste drie, dus vanaf Paaszondag, ook wel eerste paasdag, leggen in de evangelielezingen de volle nadruk op het grote wonder van de verrijzenis van onze Heer Jezus Christus. De voorafgaande gedeelten uit het Oude Testament en uit de Nieuwtestamentische geschriften, zijn vol van de rijke beloften die het volk Israël door de mond van de profeten van God heeft ontvangen. Door heel de geschiedenis van het joodse volk heen klinken zelfs in de zwaarste tijden en tijdens de grootste nalatigheid van de mensen die hun eigen gang gaan, woorden van vermaning en troost, van hoop en uitzicht. Het zijn woorden die de Kerk van Jezus Christus, als mede-erfgenaam van de toekomst van de Heer, heeft bewaard als een grote rijkdom, die telkens weer in de loop van de tijden en voor alle generaties tot klinken komen. Het woord van God laat zich niet de mond snoeren. We ervaren dit ook in onze samenleving waar velen zich hebben afgesloten voor de boodschap van de bijbel en de kerk, maar waar desondanks op veel plaatsen nieuw leven ontstaat en een verrassend verstaan.


In de lezing uit het boek Jeremia (32,36-41) gaat het in de kern om de landbelofte; de gedeporteerde mensen en hun nakomelingen- want het duurde 70 jaar- zullen terugkeren naar Jeruzalem en naar het land waaraan God zijn Naam verbonden heeft. Een land dat gedeeld zal moeten worden met de mensen die er recht op hebben om net als Israël veilig te kunnen wonen. Misschien luisterden we afgelopen zondag in de kerkdienst wat argeloos naar de woorden van de profeet en dat tegen de achtergrond van Jom Hashoa, de jaarlijkse herdenking van al die joodse mensen die zijn vermoord juist omdat ze behoorden tot het volk van de beloften!

Dat is het risico wanneer er vier lezingen worden voorgehouden, waarvan we er drie lezen en dat is niet gering. We kunnen niet meer aan dan luisteren en in de week die begonnen is opnieuw trachten te verstaan waarover het allemaal gaat en vooral: waarom het ons aangaat, u, jij en mij.


Geen twijfel mogelijk; het gaat ook om ons, ook in dat grote troostboek, de Openbaring van Johannes, dat is ontstaan toen de vervolgingen van de christenen al volop aan de gang waren.

Dat was op deze zondag onze tweede lezing, Openbaring 5, 6-14, en wat wij horen gaat ons gewone verstand te boven. Ook al scheppen we nog al eens op over onze rede, de ratio, het (nuchtere) verstand.

Maar in dit laatste boek van de bijbel wordt als het ware een gordijn opengetrokken en horen en zien we dingen die ons anders verborgen zouden zijn en blijven.(het Griekse woord voor ‘Openbaring’ heeft deze achtergrond). Daar komt ons verstand niet achter, maar we lezen het wel in de kerk, hardop, zodat iedereen het kan horen.


<Dit zijn de gebeden van de heiligen… En zij zongen een nieuw gezang, zeggende:Waarlijk zijt gij de boekrol te nemen en haar zegels te verbreken, want gij werd geslacht en hebt door uw bloed uit alle stam en taal en volk en geslacht er voor God vrijgekocht. En gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters en zij zullen als koningen heersen op aarde>


Vervolgingen, deportaties, terreuraanvallen, oorlog en altijd weer geweld; dit is wat de mensen elkaar aandoen. Daar zal eens een eind aan komen? Hoe dan wel? Onvoorstelbaar.

En toch wijst het evangelie van deze voorbije zondag een weg om te gaan, een weg voor alle volken. De verrezen Heer opent voor zijn leerlingen het inzicht om de Schriften te begrijpen.

<En hij zei tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derde dage uit de doden verrijzen en dat er in zijn naam bekering tot vergeving van zonden zou worden verkondigd aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem> (Lucas 24,48).


Bekering, vergeving, verzoening; is dat de weg die we moeten gaan?

Nelson Mandela zei in 1994 bij zijn aantreden als president van Zuid-Afrika ondermeer het volgende:


<We zijn bestemd om te stralen, zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is te openbaren.

Die glorie is niet slechts in enkelen, maar in ieder mens aanwezig.

En als we ons licht laten schijnen,

schept dat voor de ander de mogelijkheid hetzelfde te doen.

Als we van onze diepste angst bevrijd zijn,

zal alleen al onze nabijheid anderen bevrijden>.



Vierde zondag van Pasen


Midden in de vijftigdagentijd, vieren we op 25 april de zondag van de Goede Herder. Daarmee is aan de jaarlijks terugkerende reeks van paasverhalen een einde gekomen, dus in het A- B- en C- jaar. Tot aan Pinksteren komen andere thema’s die onze aandacht vragen.

Vandaag deze geliefde zondag, voor velen de zondag van hun/haar eerste H. Communie.

En niet te vergeten het overbekende gezang van de dichter Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1819- 1889) ‘De Heer is mijn Herder, ‘k Heb al wat mij lust…’ Het kreeg opnieuw een plaats in ons Gezangboek, lied 216, en het wordt nog steeds graag gezongen, vooral op momenten als ons leven zwaar wordt beproefd en we beseffen hoe kwetsbaar en ongewapend wij zijn. Inderdaad, als een schaap!


De Heer Jezus ziet de mensen in hun hulpeloosheid, in angsten en gevaren. Hij wil de goede Herder zijn, van wie psalm 23 spreekt, de gradualepsalm van deze zondag. En dan gaat het niet meer om wat ons bedreigt in heet elven, maar ook om de blijdschap dat de herder ons brengt op wegen van goedheid en zegen, dat hij ons draagt als ik wankel en dreigt te vallen.

Aan het einde van onze levensdag is daar de geborgenheid van de schaapsstal, het huis van de Heer, zegt de psalmist. Daar is ons leven op gericht en dat vieren we van week tot week met brood en met wijn. De tweede lezing uit het boek Openbaring (7,9-17) is daar vol van en spreekt van de vervulling: ‘het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en geleiden naar de waterbronnen van het elven en God zal alle tranen van hun ogen afwissen’


Maar als eerste verschijnt op deze zondag de profeet Mozes, de man Gods die de opdracht kreeg om de gemeenschap na de uittocht uit Egypte, uit te leiden en thuis te brengen. Het is een levenslange opdracht en Mozes, oud geworden, voelt dat hij de herderstaf moet overdragen. Zo niet, zegt hij tot de HEER, dan wordt het volk een kudde zonder herder.

Jozua wordt zijn opvolger, de successie, de opvolging om Gods werk onder de mensen voort te zetten, krijgt gestalte in mensen. Dat kennen wij nog steeds in de Kerk, de apostolische successie, de gekozen bisschop die de taak krijgt opgelegd om herder te zijn en leraar, door handoplegging en gebed van de gemeenschap. (Numeri 27,12-23).


Gebed van de zondag


Barmhartige God, wij bidden U:

geef dat wij de stem vernemen

van uw Zoon, de goede herder

die ons bij name roept;

Laat ons hem volgen waar hij heen gaat,

onze Heer Jezus Christus, uw Zoon.

die met U in de eenheid van de heilige Geest,

leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen.

Amen.




*