PDF Print

In het hart van de zaak 15

In het hart van de zaak (15)

 

Wij hunkeren naar een teken… Op weg naar het Pinksterfeest!

 

De leerlingen van Jezus blijven bij elkaar nadat het afscheid van Jezus een einde maakte aan die bijzondere ervaringen die ze hadden bij de gelegenheden dat de verrezen Heer aan hen verscheen. ‘Blijf in de stad, totdat je me kracht uit de hemel bent bekleed.’ Zij konden elkaar niet loslaten, de mannen niet maar evenmin de vrouwen, Maria de moeder van de Heer voorop. We kunnen dit begrijpen na alles wat er gebeurd is. De woorden van Jezus klinken nog na in hun oren, ze merken dat ze elkaar daar op aanspreken, elkaar herinneren aan wat hij gezegd heeft, kort tevoren nog en langere geleden. Woorden die onvergetelijk blijken te zijn. Het is alsof de Heer dichtbij is ‘’al heb ik je verlaten, ik laar je niet alleen.’

En daar komt nog bij die aansporing dat ze in de buurt moeten blijven. Er gaat iets geweldigs gebeuren, maar wat! Kracht uit de hemel, wat is dat? Wat kunnen ze verwachten? Ze voelen zelf wel dat ze bijstand nodig hebben, hulp en kracht om verder te kunnen in het leven dat hen wacht.

Maar de blijdschap die alle gevoelens doortrekt, maakt dat ze God zoeken in de tempel, het grote complex waar ze een rustige plek kunnen vinden om te bidden en te loven, zelfs als ze het uitzingen, zich niet stil kunnen houden.

 

Ze hunkeren naar een teken; wat gaat er gebeuren nu de stad Jeruzalem weer volloopt met de vele duizenden pelgrims die van heinde en ver komen om het Pinksterfeest te vieren, één van de drie opgangfeesten die meerdere dagen achtereen in de tempel en op meer plaatsen in de stad werden gevierd.

 

Toen de dag van Pinksteren aanbrak ware ze allen eendrachtig bijeen. Het feest van de uitstorting van de Heilige Geest gaat niet onopgemerkt aan mensen voorbij. Er gebeuren dingen, vlammen als van vuur, windvlagen door het hele huis waar de leerlingen van Jezus bijeen waren.

Stralende gezichten, enthousiaste bewogen mensen, mensen die in talen gaan spreken, in talen gaan zingen, aanstekelijk worden….

Er waait weer wat, het komen van de Geest, Heilige Geest, Trooster, Hulp en Bijstand in nood

Kom der armen troost, daal neer,

kom en schenk uw gaven, Heer,

kom wees in de harten licht.

 

Kom o vrede in de strijd,

lafenis voor ’t hart dat lijdt,

rust die alle onrust stilt.

 

Zonder uw geheime gloed

is er in de mens geen goed,

is de ziel niet rein van zin.

 

Maak weer zacht wat is verstard,

koester het verkilde hart,

leid wie zelf de weg niet vond.

 

Sta ons met uw liefde bij,

Dat ons einde zalig zij,

Geef ons vreugd die niet vergaat.

Amen.

 

Uit de Sequentie van Pinksteren OKG 471

 

 

Uit het Misboek van de Cleresie a.d. 1745

 

Zeven raadgevingen bij de voorbereiding

om de H. Geest te ontvangen

 

1. Matig en beheerst zijn in ons gedrag en in de omgang met anderen.

2. Waakzaam en vurig zijn in het gebed. Onachtzame en lauwe gebeden

zijn in strijd met wat we van God verlangen.

3 Onze gebeden moeten vervuld zijn van een onderlinge liefde, waardoor de apostelen,

de vrouwen en de broeders werden bezield.

4. Onze medemensen hebben hun gebreken en wij hebben die evenzo, zo niet grotere.

Wij moeten trachten die te verdragen, te bedekken met liefde en begrip. Dit kan alleen met een biddend hart. God zal ons genezen en onze zonden witter wassen dan sneeuw.

5. Blij zijn als we in staat worden geacht om de ledematen van Christus en de huisgenoten

onderdak te bieden, metterdaad te helpen en op te richten.

6. Onze werkzaamheden en onze gaven naar ziek en lichaam besteden ten dienste van onze

Medemensen, ongeacht wie.

7. Ter ere van God, die ons zijn genade schenkt om door goede werken en door de dienst aan

onze naasten, zijn Naam te verheerlijken onder de mensen.

 

Deze raadgevingen of lessen zijn te vinden in deel III van het Misboek onder de bemerkingen op de zondag na Hemelvaart en Pinksteravond. De bedoeling was (en is) dat de gelovigen zich even intensief zouden bezighouden met ‘heiligheid en broederliefde’, kort samengevat, als de mensen die wij al noemden; de apostelen, de vrouwen, de broeders.

In de eerste Petrusbrief die geschreven werd in de begintijd van de Kerk, komen we het gedeelte tegen dat als inspiratiebron heeft gediend voor deze lessen uit het Misboek: 1 Petrus 7,11. Wat je daar vindt is geschreven tegen de achtergrond van de dreigende vervolging, op gang gezet door de machtshebbers uit Rome. Christenen die uit hun geloof willen en kunnen leven, zijn in de ogen van sommige mensen misschien wel lastige mensen.

 

Deze omvangrijke delen, samen de vertaling van het Roomse misboek ( dat wil zeggen van de westerse Kerk) bevatten Bemerkingen, uitleg van de schriftlezingen, maar ook van liturgische gebruiken en vroomheidgebruiken.

Het voorwoord zegt en citeert daarbij het concilie van Trente, dat voor de liturgie weliswaar is vastgehouden aan de Latijnse taal van het westen, maar niettemin, opdat de schapen van Jezus Christus geen honger lijden en de kleine kinderen om brood bidden, zonder dat er iemand is om het voor hen te breken zo moeten de bisschoppen en de pastoors zorgvuldig uitleg geven en de mensen tegemoet komen in hun begrijpen van de Geheimen die ons zijn toevertrouwd.

De Cleresie vond het wijs deze vertaling, een groots werk, anoniem te laten verschijnen, tegen het verbod van Rome in . Tevoren was in 1732 ook de Bijbelvertaling verschenen, die twee eeuwen lang binnen de Cleresie, de latere Oud-Katholieke kerk is gebruikt. Op de ambo van Ste Gertrudis ligt een mooi folio exemplaar uit die eerste druk.

 

Om nog even terug te komen op de vermelde teksten: wat zou onze wereld er anders uitzien indien we deze raadgevingen als onmisbare levenslessen zouden opvolgen, niet met tegenzin of gedwongen, zegt de apostel er nog bij, maar vrijwillig en met een blij en opgewekt gevoel.

Pinksteren dus!

 

Gebed

 

Goede God, vader en moeder van alle mensen,

Op deze dag van Pinkster maakt U opnieuw een hoopvol begin

Met deze wereld. Zoals geschreven staat: zend uw Geest uit en Gij vernieuwt

Het gelaat van de aarde.

Gij zendt ons de Trooster op[dat wij bedrukte mensen en al wat bestaat

Nieuw leven zouden ademen.

Wij danken U dat U van mensen houdt en onze vrede U ter harte gaat;

Wij bidden U, dat wij de goede Geest van uw Zoon

Mogen bewaren in ons midden

En in goedheid en liefde mogen leven op aarde

Totdat Gij alles in allen zijt

In de vreugde van uw eeuwigheid.

Amen.

 

Op de mooie Pinksterdag

 

Begin van de lente

Er zweeft verlangen in de lucht

Naar zon en blauw en gele bloemen,

Naar lentegeuren, naar het zoemen

Van bijen, naar het tjilpgerucht

 

van mussen, naar het vrolijk lied

van merels die op dunne takken

de hoge C trachten te pakken;

ik zucht als ’t lukt en ik geniet.

 

Het is of heel de aarde wacht

Tot al wat leeft nieuw gaat ontwaken

Tot God zijn schepping aan zal raken;

de koele wind is licht en zacht.

 

Feest in Ste Gertrudis

 

Wijdopen deuren, ruim tevoren,

velen komen hier graag of willen

iets moois ontdekken.

Het orgel, de kunst, de mooie bloemen, onbekende mensen

om hen heen met hun liturgie en wat al niet!

Je krijgt zo maar een glimlach en een hand

midden in een kerkdienst, wie had dat gedacht?

Worden onbekenden, ongekende, hier bekenden..

 

Je krijgt een dik boek of zogewild meer dan één aangeraakt

en als het afgelopen is ook nog koffie.

Velen komen hier graag, hier stroomt de kerk soms vol,

Hoe kan dat nou, de kerken stromen immers leeg!

Zo hebben mensen het bedacht; pratende mensen,

schrijvende mensen, persmensen,

zelden gelovige mensen die het echt weten kunnen.

Is er dan geen verdriet, geen spijt, geen gevoel van eenzaamheid?

 

Is hier dan geen zorg, geen gebrek aan woorden, geldgebrek,

worden er geen mensen gemist?

 

De klokken gaan luiden, dat doen ze al eeuwenlang

En ze weten niet van ophouden, of je het horen wilt of niet,

Of het moet onder dwang of bruut geweld, de schuilkerk en de oorlog.

Het orgel gaat spelen, dat prachtige orgel met prachtige mensen

die het kunnen bespelen, die hun handen en voeten gebruiken

maar ook hun hart en ziel.

Ze zijn daarboven niet alleen, er wordt ook gezongen, soms

het hoogste lied, zoals ooit de klopjes zongen, maar die moesten zich

inhouden hiernaast in de schuilkerk, hun liederen binnenshuis houden

en soms zingen wij haar liedjes nog uit dat dikke boek.

 

Mensen lopen naar Maria, ze staat opzij,

maar niet los van het gebeuren.

Er ontgaat niet zoveel aan Maria, zelfs de onbeholpen briefjes

die bezoekers leggen aan haar voeten ik vraag voorbede

worden niet miskend maar gekend, daar mag je op rekenen

en wie weet gaat het boven bidden en denken..

Dank u, dat u ook klaarstaat voor mensen, jonge en oude mensen

die geen woorden kunnen vinden, die een briefje achterlaten

zoals bij de Klaagmuur in Jeruzalem.

Er is hier veel wat we niet weten, zo is het in de wereld van het geloof.

Er is hier veel wat we heel goed weten, dat dit de plaats is

waar we zijn moeten en niet alleen wij maar ook de mensen die

niet weten waar ze het zoeken moeten,

de plek waar God ons verwacht, beter gezegd ons opwacht.

Want Hij is er altijd eerder dan wij,

Hij was er al voor ik werd geboren!

 

Er komen mensen en steken een kaars op in de zijkapel, even alleen zijn.

Die mensen hebben hun eigen redenen, dat heeft te maken met

herinneringen, met een hart dat niet kan en wil vergeten;

Dag vader, dag moeder, dag vrouw, dag man, dag kind, rust in vrede,

In vrede denken aan, niet vergeten, dag land van vroeger,

dag St. Jakobus aan de Vecht tot aan de toren van

Westbroek, van het kraaienbos en de Gagel en het jodendom en, ja…

 

Je oude klok hangt er weer mooi bij en de opalines

van de mannenvereniging, bij elkaar gekaart

in de avonden van een zware werkdag op je knieën.

De twee mooisten zijn meegegaan, die van de zaaier

En Maria Magdalena in de hof die morgen van de verrijzenis,

neen, geen hovenier, het is de Heer!

Er is nog een stille verborgen plek waar niet allen weet van hebben:

Maria minor op zolder,

Ze wacht op tijden van bewoning, op betere tijden.

 

Laten we Sinte Gertrudis, Sinte Geerte in de Hoek, niet vergeten

en onze aandacht schenken. Ze staat daar zo stil aan de zuidkant van de kerk

en ze ziet, heel gastvrij zoals vroeger, wie er allemaal binnenkomen.

Ze kan niet zeggen; ik heb je gemist of blij dat ze er bent, maar dat

hoeft ook niet, dat horen wij onder elkaar te doen.

 

In de kathedraal ademt alles van Pasen en Pinksteren, de iconen

de schilderijen, alles ademt opstanding, opwekking,

nieuw leven, het oude dat is voorbijgegaan,

de bereidheid die groeit, langzaam maar zeker, om er te zijn,

ook voor al die mensen buiten, wie ze zijn en waar ze zijn.

 

De kinderen zijn nu naar de Driehoek. Ze zien elkaar weer,

doen hun gebedjes en maken fantastische dingen.

Vandaag is de bisschop er; straks vertonen ze zich en maken ons vrolijk

en dubbel blij, al die vriendjes van Jezus.

 

Het is bijna tijd, nu worden we stil.

Het lukt vrijwel niet om voor die tijd stil te zijn

Op dit zondagmorgenfeest van de herkenning.

Ja, we komen hier graag, ook in de stilte.

Nog even alleen de schoonheid van dit huis,

De hoge Christus die ook ons bij zijn schapen telt.

De muziek, het zachte geroezemoes is verstomd.

Dan de slag van de klok, het is zover!

Daarvoor zijn we gekomen,

om Hem te ontmoeten.

Omdat Hij ons kent en ons niet verlaat en ons nooit begeeft.

Omdat Hij ons liefheeft met een eeuwige liefde.

Omdat Hij op ons rekent.

 

We gaan op naar het Altaar van God;

tot God die altijd weer onze ziel met vreugd vervult.

 

NvD

 

 

 

 

 

*