PDF Print

In het hart van de zaak 17

Zondag aanstaande vieren we de H.Sacramentsdag

Katholieke kerken, waaronder de Oud-Katholieke, vieren de tegenwoordigheid van de Heer temidden van de zijnen, het meest wezenlijke element van het eucharistische geloof. Het behoort tot de diepste ervaring van de oudste christengemeenschappen. Op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament is sprake van ‘de maaltijd van de Heer’ en het oudste bericht is volgens de exegeten, de uitleggers van de Schriften, 1 Korinthiërs 11,23- 29, waar de apostel Paulus in een brief uiteenzet wat hij zelf ontvangen heeft. ‘Van de Heer’ zegt hij en maakt daarmee duidelijk dat de traditie een onmisbare rol speelt, want Paulus heeft Jezus niet gekend zoals de overige apostelen die tafelgenoten waren op de avond van de instelling van de H. Eucharistie tijdens het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen. In die tijd kende men nog niet de uitgewerkte theologische beschrijvingen van latere eeuwen. Begrijpelijk dat geleerde mensen zo bezig wilden zijn en even begrijpelijk is het dat er uiteenlopende opvattingen uit voort kwamen. Vooral door het optreden van de Reformatie in de zestiende eeuw, in reactie op laatmiddeleeuwse praktijken, is er een breuk ontstaan tussen de katholieke en protestantse kerken. Toch is het besef gebleven dat in het diepst van de zaak de tegenwoordigheid van de Heer tot de kern van het sacrament behoort.

In het verhaal van de Emmaüsgangers (Evangelie naar Lucas 24,13-35) wordt verteld hoe het hart van de leerlingen brandde van vreugde om zijn tegenwoordigheid en hoe zij hem herkennen bij het breken van het brood.
De verrezen Heer Jezus Christus vertoont zich in een gesluierde tegenwoordigheid, onder de gedaante van brood en wijn ‘mijn lichaam, mijn bloed’. In dit bijbels taalgebruik is ‘lichaam’ hetzelfde als ‘persoon’. Bloed wil zeggen ‘leven’. Beide tekenen drukken zijn tegenwoordigheid uit, de wijze waarop Hij blijvend bij ons aanwezig wil zijn.

De Kerk spreekt vanaf het begin over de “Eucharistie’. Het woord betekent ‘dankzegging’ en daar klinkt de vreugde in door voor alles wat de Heer voor ons heeft gedaan. In de woorden van de instelling klinken naast deze presentie ook nog het offer door, beide aspecten die niet zijn te scheiden. Het sacrament van de Eucharistie is de blijvende tegenwoordigheid van het offer dat eens en voor al is gebracht. Op de vooravond van zijn lijden sprak Jezus temidden van zijn vrienden de woorden: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed. Eet en drinkt hiervan allen telkens als je samenkomt in mijn naam, doet dit tot mijn gedachtenis.
In de Eucharistisch gebeden, ongeacht de historische herkomst, komen we steeds deze woorden tegen, zoals ze ook met kleine verschillen voorkomen in de evangelieverhalen van Matteüs, Marcus en Lucas. Johannes volgt een andere traditie en vertelt op indrukwekkende wijze in het zesde hoofdstuk van zijn evangeliebericht over het gesprek dat Jezus heeft met joodse tegenstanders die hem aanvallen op zijn woorden: ‘Ik ben het brood des hemels dat uit de hemel is neergedaald’ Johannes 6, 41-59).

De eeuwen door heeft het gelovig denken met behulp van filosofische interpretaties, zich bezig gehouden met de vraag naar het wezen van de dingen; zo gebruikte men de term ‘transsubstantiatie’, die in de scholastiek van de late middeleeuwen wel werd geaccepteerd, maar later veel weerstand ondervond. Het concilie van Trente dat in de zestiende eeuw bijeenkwam om een dam op te werpen tegen het opkomende protestantisme, gebruikte wel de term, maar heeft de geloofsbelijdenis van de Kerk nooit afhankelijk gemaakt van deze vorm van filosofisch denken.
De werkelijke Tegenwoordigheid van Christus in het sacrament is een Mysterie dat niet in tegenspraak is met de ervaring van de geschapen realiteit: het brood is en blijft voedsel, de wijn is en blijft drank.

Er is naast het brood en de wijn van de Eucharistie nog een omvorming, namelijk de gemeenschap van de gelovigen, die door de heiliging van de Geest, ook het lichaam, van Christus worden. Zo zegt de apostel Paulus dat de Kerk het waarachtige lichaam is van Christus en de vroege christenen waren zich heel goed daarvan bewust.
De grote kerkvader Augustinus heeft dit in een preek over de Eucharistie (sermo 272, gehouden in het jaar 405 of 411) duidelijk uitgelegd aan de mensen die op de Pinksterdag bijeen waren in zijn basiliek:

Wilt gij dus begrijpen wat het lichaam van Christus is,
luistert dan naar de woorden van de apostel tot de gelovigen:
Welnu gij zijt het lichaam van Christus en ieder van u is een lid van dit lichaam’.
Indien gij dus het lichaam van Christus zijt en zijn ledematen,
dan ligt uw geheim op de tafel van de Heer, dan ontvangt gij uw geheim.
Gij antwoordt dan ‘Amen’ op wat gij zijt en door dit te antwoorden
onderschrijft gij het.
Gij hoort immers de woorden: ‘Lichaam van Christus’ en gij antwoordt; ‘Amen’.
Wees dus een lidmaat van Christus’ lichaam,
opdat uw ‘Amen’ waar moge zijn.
Wees wat gij ziet en ontvang wat gij zijt.

Verklaring van de bisschoppen van de Unie van Utr4echt

In 1889 kwamen in Utrecht bisschoppen bijeen van de buitenlandse kerken die waren ontstaan na het eerste Vaticaans Concilie, uit protest tegen het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. Ze kwamen op uitnodiging van de aartsbisschop van Utrecht en de bisschoppen van Haarlem en Deventer, tezamen het episcopaat van de Oud-Katholieke kerk van Nederland.
De nieuwgevormde Oud-Katholieke kerken zagen zichzelf als noodbisdommen, als gevolg van de excommunicatie door Rome, dat geen genoegen nam met de afwijzing van het Vaticaans dogma. In Utrecht werd een beginselverklaring opgesteld, die nog steeds bekend staat als de Bisschopsverklaring van 1889. Het vormde het begin van de Unie van Utrecht, thans het internationaal verband van Oud-Katholieke kerken

Artikel 6 van deze verklaring heeft betrekking op de H. Eucharistie:

In aanmerking genomen, dat de heilige Eucharistie in de Katholieke kerk van ouds het ware middelpunt van de godsdienst uitmaakt, houden wij het voor onze plicht te verklaren, dat wij het oude katholieke geloof omtrent het heilig sacrament des altaars, in alle getrouwheid ongeschonden vasthouden, terwijl wij geloven, dat wij het Lichaam en het Bloed van onze Heer Jezus Christus, zelf onder de gedaanten van brood en wijn ontvangen.
De viering van de Eucharistie in de kerk is niet een voortdurende herhaling of vernieuwing van het zoenoffer, dat Christus eens en voor al op het kruis opgedragen heef, maar haar offerkarakter bestaat daarin, dat zij de blijvende gedachtenis daarvan is en een op aarde plaats hebbende wezenlijke vertegenwoordiging van die éne offerande van Christus, voor het heil van de verloste mensheid. welke volgens Hebreeën 9,11-12 voortdurend in de hemel door Christus opgedragen wordt, terwijl Hij nu voor ons verschijnt voor het aanschijn Gods.
Terwijl dit het karakter is van de Eucharistie ten opzichte van het offer van Christus, is zij tegelijk een geheiligd offermaal, waarin de gelovigen, het Lichaam en Bloed des Heren ontvangende, gemeenschap met elkander hebben (1 Korinthiërs 10,17).

Verschillende vormen van beleving

Terwijl het deelnemen aan de H. Communie door de gelovigen sterk was afgenomen en vrijwel beperkt bleef tot Pasen, nam de sacramentele devotie sterk toe. De aanbidding nam een grote plaats in en de liefde tot de Heer, die zijn leven gaf voor het heil van de mensen, leefde in de harten. Men wilde vooral zien wat er op het altaar gebeurde en in de groter wordende kerken was dat moeilijk. De elevatie, dat is de opheffing van de geconsacreerde hostie, was een belangrijk moment van aanschouwing. In 1246 ontstond in het bisdom Luik de liturgische viering van de H. Sacramentsdag en vanaf 1317 werd dit voorgeschreven voor de gehele westerse Kerk. De kerkleraar Tomas van Aquino (1225-1274) schreef een aantal hymnen, die sterke verbreiding vonden en waarvan een aantal de eeuwen door in gebruik zijn gebleven als geliefde sacramentsgezangen en ook zijn opgenomen in het Oud- Katholiek gezangboek in eigentijdse vertalingen.
De Contra-Reformatie legde grote nadruk op het zintuigelijke en ontwikkelde tal van devotionele praktijken waar ook wel verzet tegen ontstond, Binnen de Oud-Katholieke beweging ontwikkelde zich een meer bijbelse en ook meer sobere vroomheid, maar in Nederland is men lang gehecht geweest aan vertrouwde gebruiken, vooral rond Sacramentsdag, die werd gevierd op de dag die was aangewezen in de kerkelijke kalender, de donderdag na het feest van Drievuldigheid. De donderdag verwees naar de instelling van de H. Eucharistie op de vooravond van het lijden van onze Heer Jezus Christus.

In de naoorlogse jaren heeft onder druk van de sociale en maatschappelijke ontwikkelingen, maar ook veranderingen in het theologisch denken, een slijtage plaatsgevonden, die moeilijk valt te herstellen. Veel is gelukkig bewaard en heeft herwaardering gekregen, maar hoe kunnen we de warmte en de innigheid die in veel parochies werd beleefd, terugvinden.
In de zestiger jaren werd al een begin gemaakt met het verplaatsen van feestdagen naar de zondagen ‘uit pastorale overwegingen’ en zo wordt nu ook binnen de Oud-Katholieke kerk aanstaande zondag 6 juni Sacramentsdag gevierd.

We verheugen ons in onze Utrechtse parochie in het bijzonder op deze dag nu onze twee nieuwe pastoors zullen worden voorgesteld aan de gemeente.


Adoro te devote

U aanbid ik, Heer, Gij wilt verborgen zijn,
schuilgaan in de tekenen van brood en wijn,
maar op uw aanwezigheid vertrouwt mijn hart,
dat dit grote wonder immers nooit omvat.
Wees gegroet, Heer Jezus, die ons leidt
en geef dat wie op U vertrouwt
zich steeds in U verblijdt.

Zonder iets te zien is ’t, dat men U ervaart,
enkel door het woord wordt Gij geopenbaard.
Leer mijn hart te luisteren naar uw Zoon, die leeft
en niets dan de waarheid ons gesproken heeft.
Wees gegroet, Heer Jezus, die ons leidt
en geef dat wie op U vertrouwt
zich steeds in U verblijdt.

Aan het kruis heeft niemand Hem als God ontmoet
ook als mens treedt Hij ons nooit meer tegemoet.
Maar al stierf Hij die voor mij geleden heeft’,
dag op dag mag ik ervaren, dat Hij leeft.
Wees gegroet, Heer Jezus, die ons leidt
en geef dat wie op U vertrouwt
zich steeds in U verblijdt.

In mijn hart heb ik voor U, Heer, plaats gemaakt,
al heb ik U niet als Tomas aangeraakt.
Toch begroet ook ik U als mijn God en Heer,
wees aanwezig in mijn leven meer en meer.
Wees gegroet, Heer Jezus, die ons leidt
en geef dat wie op U vertrouwt
zich steeds in U verblijdt.

Tomas van Aquino (1225- 1274), vertaling: Jan Hallebeek (1954)
Melodie uit Missen en Gezangen 1745, OKG 743

Gebed

Verborgen, eeuwige God,
U aanbidden wij,
Gij zijt aanwezig waar mensen samenkomen in uw Naam.
Gij voedt onze honger naar leven
In het Brood en de Beker van Jezus, onze Heer.
Wij vragen U, dat zijn geest ons hart mag verwarmen
Tot die liefde voor mensen Die in Hem volkomen was
en die Hij ons heeft voorgeleefd.
Doe ons ervaren wie Gij blijvend voor ons zijt,
Bron van kracht,waarachtig leven,
Op deze dag en tot het einde van onze dagen.
Amen.

*