PDF Print

In het hart van de zaak 22

Zondag van de barmhartige Samaritaan, zondag na Pinksteren 10

 

Wie kent niet het verhaal van de barmhartige Samaritaan?

Nu even afgezien van de moeilijkheid dat veel mensen zo weinig vertrouwd zijn met de taal en de cultuur van de bijbel dat ze een woord als barmhartig niet begrijpen. En evenmin raad weten met de positie die een Samaritaan innam in het toenmalige Palestina. Maar het verhaal is op zichzelf gemakkelijk te begrijpen.

 

De oude weg tussen Jeruzalem en Jericho ging door de woestijn van Judea, een eenzame route tussen rotsen en met veel bochten, een ideale plek om een roofoverval te plegen. Een afstand van 27 kilometer met een groot hoogteverschil van bijna 1000 meter.

Drie mensen spelen een rol in het gebeuren en er is sprake van een in elkaar geslagen en leeggeschudde man die verwond langs de weg is achtergelaten.

Er passeert eerst een priester, op weg naar Jeruzalem om zijn weekdienst te doen in de tempel. Hij gaat aan de andere kant van de weg voorbij.

Dan komt er ook nog een leviet, iemand uit de stam van Levi, die lagere diensten verrichtten en de priesters in de tempel assisteerden. Ook hij is op weg om zijn halfjaarlijkse dienst te doen en ook hij maakt dat hij weg komt van de plek van het onheil.

 

Er zijn allerlei verklaringen bedacht waarom deze twee mannen van wie je toch een ander optreden verwacht, zo voorbij gaan aan een mens in nood.

We mogen Jezus niet verdenken van antiklerikale neigingen. Hij zegt in zijn verhaal ook niet dat er nu een leek langskwam die ging doen wat de priester en de leviet niet deden. Maar door niets te doen lieten ze hem gewoon doodgaan, zo ernstig is het wel.

Eigenlijk hebben we niet zoveel verklaringen nodig. Mensen blijven mensen en gebruiken verschillende motieven. Doorrijden na een aanrijding, iemand laten verdrinken, bemoei je er niet mee, binnenblijven en niets zien. En soms zijn mensen gewoon bang.

 

Het verhaal gaat verder. Er komt een Samaritaan aangereden die ziet wat er is gebeurd, een mens met barmhartigheid bewogen. Zo staat het er en het wil letterlijk zeggen; iemand met een warm hart, een brandend hart. Hij stapt af, stelpt het bloeden en verjaagt de vliegen. Hij giet olie en wijn op de wonden en ziet kans om een verband aan te leggen. Hij zet de man op zijn eigen lastdier en gaat op weg naar de herberg, halverwege de route naar Jeruzalem.

Daar verzorgt hij de gewonde en de volgende dag geeft hij de herbergier een voorschot met de opdracht goed voor de man te zorgen totdat hij terugkomt. Voor de gemaakte kosten staat hij garant.

 

Op de plek die de traditie aanwijst de eeuwen door, staat nu nog de herberg van de barmhartige Samaritaan, een pleisterplaats om de herinnering vast te houden, want dit verhaal van Jezus is het waard niet te worden vergeten.

Juist omdat het zo gewoon is, zo gewoon menselijk, zo uitdagend - zo moet jij ook doen als het je overkomt. Een verhaal waarin God niet voorkomt en evenmin de Tora met al zijn geboden en verboden, zo maar een vertelling van Jezus over menselijk kwaad, over harteloosheid, over barmhartigheid en liefde tot de medemens in nood.

 

Een verhaal als antwoord op de vraag van een wetgeleerde, een geleerd man die zich wat geneert en daarom de vraag stelt aan Jezus: Wie is mijn naaste? Dat hoort hij toch te weten, hij is immers zelf het gesprek aangegaan van rabbijnen onder elkaar die elkaar uittesten op het punt van hun kennis en hun vaardigheid om bekwaam om te gaan met de grote vragen van hun tijd.

Elke tijd heeft zijn grote vragen, toen en nu. Grote vragen zijn er genoeg, maar grote antwoorden zijn te zoeken, ook in onze dagen.. Zeker als het gaat om de zin van het menselijk bestaan, het doel van ons leven, de toekomst van de wereld, het welzijn van de aarde.

Maar mensen blijven vragen. Elkaar bevragen.

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

Dit was ongetwijfeld een grote kwestie in die dagen; het behoorde tot de beslissende vragen van de joodse theologie van die tijd wat is terug te vinden in de rabbijnse literatuur en laatjoodse geschriften. De verwachting van het eeuwige leven is ook in de hellenistische cultuur zeer verbreid geweest.

 

In de leergesprekken werd een vraag regelmatig beantwoord met een tegenvraag. Wat staat in de Wet geschreven, wat lees je daar?

Jezus krijgt een correct antwoord. In de dagelijks uitgesproken geloofsbelijdenis, het Sjema wordt Deuteronomium 6,5 geciteerd en de wetgeleerde spreekt dat ook uit, zonder de lofprijzing die eraan vooraf gaat:

Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw kracht en met geheel uw verstand.

Gij hebt goed geantwoord, zegt Jezus, doe dat en gij zult leven.

De wetgeleerde voegt nog een citaat toe uit Leviticus 19,18 en uw naaste als uzelf.

 

De joodse traditie kent 365 verboden en 248 geboden, samen 613 voorschriften. Het geheel kan worden samengevat in de geloofsbelijdenis, het eerste en grote gebod, zoals ook Jezus dit uitspreekt in Marcus 12,28-32.

Het gaat bij het liefhebben van God om de totale mens. Alle levensgebieden worden dan ook genoemd in een vierdeling of zoals bij Matteüs een driedeling.

Geheel het hart als middelpunt van het innerlijk leven. Uit het hart komt de liefde voort, van binnen naar buiten, uit het centrum van leven van een mens.

Als tweede wordt genoemd: geheel de ziel, wat betrekking heeft op de psychische aspecten van het leven. Ook daarmee mag en kan een mens God liefhebben.

Als derde gaat het om geheel zijn kracht, de fysieke kant van het leven, de volle inzet bij het handelen.

En met het verstand wordt de intellectuele kant van het menselijk leven bedoeld.

 

De katholieke en orthodoxe spiritualiteit verwijst bij het maken van het kruisteken als teken van verlossing ook wel naar deze vierdeling en naar de band van liefde met onze God.

Hart en ziel, hoofd en kracht. De taal van de tekens heefteen belangrijke plaats in de liturgie en in het devote leven.

 

Maar dan blijft er voor de wetgeleerde nog een open vraag: wie is mijn naaste?

Dit tweede gebod komt in het Sjema niet voor. Heet is niet duidelijk of het in die dagen al een algemeen gebruik was om de twee geboden samen te voegen. Een bekende rabbijn, rabbi Hillel, leerde de samenvatting Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook aan een ander niet. Maar pas in de tweede eeuw wordt het tot een grote en algemene grondregel in de Tora.

De wetgeleerde wil een duidelijk antwoord op zijn vraag wie is mijn naaste­­­. Wie is de mens die hij moet liefhebben als zichzelf, dus een mens die gelijkwaardig is?. Is het iemand uit het eigen volk, een rea, een metgezel, iemand met wie men zich kan inlaten, met wie je verbonden kunt zijn. Behoren alle vreemdelingen daarbij, heidenen, doortrekkende reizigers?

Veel Farizeeën en geleerden uit Jeruzalem wilden al geen omgang met het plattelandsvolk en met eenvoudige mensen die het niet zo nauw namen met de gedragsregels.

Laat staan met een Samaritaan, een gehaat volk dat zich in het verleden had vermengd met heidenen die van elders waren gekomen in 722 voor Christus en daarna, tijdens de overheersing van de Assyriers

 

Jezus laat hem zelf antwoorden. Het woord Samaritaan komt niet over zijn lippen, maar hij geeft wel het goede antwoord nadat hij van Jezus het verhaal heeft aangehoord: die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zei tot hem: ga heen en doe gij evenzo.

Naaste word je door metgezel te willen zijn van de ander. Medemens te zijn en vanuit dat besef te handelen op de juiste manier als de gelegenheid zich aandient.

Wij denken al snel dat het zielige slachtoffer de naaste is, het lijdend voorwerp dat daar op de grond ligt. Maar als het dubbele gebod uitgaat van de persoonlijke liefde met inzet van de hele mens, dan moet je ook zelf naaste willen worden en je daarnaar gedragen.

 

Naar joods besef is het een groot voorrecht als je de gelegenheid krijgt de ander te zien als medemens.'Dank voor de mitswe' zegt een voorbijganger tot een bedelaar die hem de kans geeft een gebod te vervullen. Daar komt nog het besef bij, dat wij zelf ook gasten zijn in Gods wereld en dat alles wat wij bezitten eigenlijk als giften van God worden beschouw.

Bij dat alles hebben we het natuurlijk over de omgekeerde wereld, wat we zullen begrijpen als we er goed over nadenken.

 

De tweede lezing van deze zondag maakt een begin met de brief aan de Kolossenzen.

Daarin horen we ondermeer:

Wij smeken God u alle wijsheid en geestelijk inzicht te schenken, zodat gij zijn wil volledig verstaat en een leven leidt, dat de Heer waardig is en Hem in alles behaagt.

Moge gij vruchten voortbrengen van actieve goedheid op allerlei gebied en tevens toenemen in de waarachtige kennis van God.

 

En de eerste lezing uit het boek Deuteronomium verzekert ons dat Gods geboden niet te zwaar zijn en niet buiten ons bereik liggen. Wij kunnen ze dus volbrengen.

 

Wie oren om te horen heeft

 

Wie oren om te horen heeft

hore naar de wet die God hem geeft:

gij zult geen vreemde goden

maar Mij alleen belijden voortaan.

Hoort, Israël, mijn geboden.

 

Bemint uw Heer te allen tijd.

Dient Hem met alles wat gij zijt.

Aanbidt Hem in uw daden:

Dit is het grootste- en eerste gebod,

de wil van God, uw Vader.

 

Biedt uw naaste de helpende hand.

Spijzigt de armen in uw land,

een woning wilt hun geven .

Het tweede gebod is het eerste gelijk:

doet dit, en gij zult leven.

 

De macht der liefde is zo groot,

geen water blust haar vuren uit

wanneer zij is ontstoken.

Nu wilt ontbranden aan liefdes woord,

God heeft het tot ons gesproken.

 

De liefde spreekt haar eigen taal,

alle kwaad bedekt zij duizend maal-

vergeeft al wie u griefde.

Dit lied zal in de lucht opgaan

maar blijve- in ons de liefde.

 

Huub Oosterhuis OKG 534

 

Gebed

 

Genadige God, Gij die ons de aarde geeft

om haar in liefde en trouw

te dienen en te bewaren;

sterk ons door uw woorden

om in alle eenvoud mensen te worden

die voor elkaar bestaan.

Schenk ons wijsheid en maak onze handen,

ons hoofd en ons hart tot een loflied

tot eer van uw Naam,

alle dagen van ons leven,

door Jezus Christus, onze Heer.

Amen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*