PDF Print

In het hart van de zaak 23

Zondag van Marta en Maria, zondag na Pinksteren 11

 

Ook deze komende zondag weer een verhaal dat we gemakkelijk kunnen begrijpen.

Het slachtoffer van een roofoverval, in een gevaarlijke situatie achtergelaten langs de weg, wordt gered door een Samaritaan, terwijl twee geachte mannen uit de priesterstand hem aan zijn lot overlaten. Niets nieuws dus, want deze dingen gebeuren regelmatig en we maken ons er niet bijzonder druk over. Daar speelt ook wel een verzwegen vraag mee; wat zou ik gedaan hebben in een soortgelijk geval?

En dan zwijgen we stil.

Gelukkig viel er meer te zeggen en over na te denken. Daarom wordt dit evangelie verhaal verteld in de kerk waar meer gelegenheid is om wat diepgaander en persoonlijk aangesproken, bezig te zijn met iets wat ons toch allemaal aangaat.

 

Deze zondag dus opnieuw zo'n gewoon verhaal dat in de kerk wereldwijd de ronde doet.

Met ook nu de vraag; waar sta jij, waar ben jij mee bezig in de ontmoeting met Jezus?

 

De twee vrouwen Marta en Maria komen ons niet onbekend voor. Jezus is onderweg met zijn leerlingen, op weg naar Jeruzalem. Met een zeker dorp zal wel Betanië zijn bedoeld, waar de zusters woonden met hun broer Lazarus die in dit verhaal niet voorkomt.

Het gaat immers om de houding van Marta en Maria en de manier waarop ze beiden de kans grijpen om Jezus (en zijn leerlingen die ook wel wat lustten) gastvrij te ontvangen. Ze waren in goede doen, wat wel blijkt uit het gegeven dat ze een eigen rotsgraf bezaten. (Johannes 11,1-44) Dat hadden arme mensen niet.

Jezus en deze kleine familie, die grote bekendheid had onder de bevolking, gingen op een hartelijke en liefdevolle wijze met elkaar om.

En nu hadden ze de gelegenheid hem te ontvangen in haar eigen huis.

Marta is degene die optreedt als gastvrouw, een rol die ze graag op zich nam en daarbij hoorde het huishouden en vooral het verzorgen van de maaltijd. Er moest nu natuurlijk wat meer op tafel komen, een feestelijk en goed verzorgd eten.

In de joodse traditie wordt vanouds grote zorg besteed aan de maaltijden. Niet alleen door de zorgvuldigheid waarmee men wilde weten wat men at en wat in elk geval niet, maar ook door verwennerij. De Jiddische Mama met haar onovertroffen recepten zou je kunnen vermoeden in de persoon van Marta die direct in de keuken verdwijnt. De keuken is haar heiligdom.

 

Haar zuster Maria heeft daar geen echte taak. Ze mag helpen bij het dienen, maar daar blijft het bij.

Ook zij is gastvrij en zij toont haar grote aandacht voor Jezus en voor wat hij te zeggen heeft.

Zij is net als haar zuster en broer Lazarus, een vroom mens en ze uit dit door de concentratie waarmee ze gezeten aan zijn voeten, gespannen luistert naar zijn woord. Dat gaat over het éne, de komst van het Koninkrijk, de verlossing van Israël uit de machten die het volksleven bedreigen.

 

Er zijn vaak verkeerde conclusies getrokken die misschien voor de hand liggen, maar niet terecht zijn. Marta is niet het keukensloofje, maar een flinke vrouw die in tijden van ellende en zorgen haar geloof overeind houdt. De vrouw in het gezin is bepalend voor het doorgeven van het geloof dat blijft leven uit de verwachting van de toekomst die God belooft door de mond van zijn profeten. Evenals haar zuster staat ook Marta in de sterke lijn van vrouwen die voorbeeldig leven, niet van de ene dag in de ander, maar gericht op de verwachting van een hoopvolle toekomst.

Maria is niet de kwezel die zich wereldvreemd onttrekt aan de dingen die gedaan moeten worden, maar de luisterende mens die zich verbaast over de rijkdom van het geloof en over de nieuwe kansen die God telkens weer aan de mensen geeft.

Zij verheugt zich over de woorden van Jezus en de wonderlijke kracht van zijn charisma.

Ze heeft geleerd dat de mens niet leeft bij brood alleen, maar van alle dingen die voortkomen uit de mond van God.

 

De ene mens is de andere niet. Wij kennen dat ook in de gemeente, in onze wekelijkse ontmoetingen. De een verheugt zich over de viering, over de ontmoeting met de Heer die zijn woord tot ons spreekt en om aandacht vraagt. Blij om te kunnen instemmen met de eucharistie,de dankzegging waarin het grote gebed het hoogtepunt vormt.

De ander vindt het helemaal niet erg om tijdens de dienst voor de koffie te zorgen en heeft daarbij zelfs niet altijd het spijtgevoel om zodoende veel te moeten missen.

 

Maar de stemming kan licht omslaan. Marta wordt het even te veel. Ze heeft haar belangrijke taak met ambitie en genoegen op zich genomen, maar juist omdat haar dienen blijkbaar met een stuk zelfwaardering gepaard gaat, raakt ze geprikkeld.

Ze wordt boos op haar zuster en ze laat via een omweg voelen hoe ze over de houding van Maria denkt.

Bij Lucas komt het vaker voor dat iemand via Jezus een boodschap wil bezorgen aan een ander. Ook nu gaat de Heer daar niet op in, maar hij geeft wel antwoord op de vraag die hem gesteld wordt.

Jezus trekt het zich niet erg aan dat Marta er tot dusver alleen voor staat. Dat zijn dingen die de zusters wel zelf weten op te lossen. Het komt ten slotte in elk huishouden voor.

 

Maar dat wil niet zeggen dat hij Marta niet serieus neemt.

Marta, Marta, je maakt je zorgen en je hebt het druk met vele dingen. Weinige echter zijn nodig, ja, één slechts. Maria heeft het goede deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen worden.

Hij herinnert Marta aan de levenswinst die ons wordt beloofd van Godswege, een vaste hoop die in het geloofsleven van de oudste christenen een grote rol speelde en die hier in het Lucasevangelie meeklinkt.

Levenswinst. Niet dood is dood en waar doen we het allemaal voor?

Maar de vreugde die Maria in zich voelt als er over deze grote dingen gesproken wordt, waarbij je alleen maar hoeft te luisteren, open en stil.

 

De kerkelijke traditie heeft in Marta wel het actieve element willen zien en in Maria het contemplatieve. Het duidelijkst heeft dit zich ontwikkeld in de diverse vormen van monastiek leven die in latere eeuwen zich naast elkaar ontwikkelde. Beschouwende én werkende orden, waarbij het ora et labora, bidt en werkt, voor allen bleef gelden. Vooral de Regel van Sint Benedictus (480- 530) maakte met zijn evenwicht grote indruk en zou de basiscode worden binnen de westerse Kerk. De abdijen werden centra van geleerdheid, muziek, onderwijs en bevordering van wetenschap. Benedictus vindt het handwerk dat hij dagelijks aan zijn broeders voorschrijft, niet minder belangrijk dan de geestelijke lezing maar het eigenlijke opus Dei is toch het onderhouden van de lofzang, zevenmaal daags de gezongen getijden in de abdijkerk. Voor de zusters geldt hetzelfde.

Moerassig en uitgestrekt bosland werd veranderd in bouwland en weilanden voor het vee.

In het begin van de tiende eeuw hadden ze het moderne gareel uitgevonden, het paardentuig voor een tweespan en het hoefijzer. Daardoor konden de paarden vier- tot vijfmaal meer trekken dan in vroeger tijden. Om nog één ding uit de vele te noemen; in de elfde eeuw hadden de meeste abdijen meerdere waterwielen die elk de werkplaatsen aandreven door waterkrachtenergie..

 

Marta en Maria zetten ons aan het denken.

En dat zal precies de reden zijn dat de arts en evangelist Lucas die zo'n grote aandacht had voor het wel en wee van de mensen, het in zijn verhaal heeft opgenomen.

 

Gij die de mens geschapen hebt

 

Gij die de mens geschapen hebt

en ieder kent bij naam,

Gij die als mens verschenen zijt

en ons bent voorgegaan:

voor allen die getreden zijn

in 't voetspoor van uw Zoon,

hebt Gij voorgoed een plaats bereid:

zij zingen voor uw troon.

 

Een overgrote menigte

die niemand tellen kan,

verzameld uit de volkeren

van elke taal en stam:

de eerste mens die Gij U schiep,

het volk van Abraham,

de redder Mozes, de profeet

die sprak: ziedaar het Lam.

 

Wij danken U voor hun geloof

in uw verheven Naam.

En bidden U: neem met hun lied

ook onze hulde aan.

Lof zij het Lam dat is geslacht,

Hem zij de roem en eer,

aan Hem die alles heeft volbracht,

aan Christus, onze Heer.

 

Henk Jongerius OKG 501

 

Gebed

 

Liefdevolle God,

wij die in deze grote wereld

met zo weinig zijn,

wij bidden U dat U onze kring wilt sluiten

in eensgezindheid en zorg voor de mensen,

dat wij het aankunnen

zelf minder getroost te worden

om anderen te troosten

om sterk te staan op de winderige hoeken

van de straten waar U uw leerlingen altijd

heenzendt, waar U ons vinden wilt,

waar U ons leiden wilt

met alle risico's en gevaren

op de weg van de bevrijding naar uw Rijk,

waar niemand tekort komt

en niemand gewond wordt

dan door het heilig vuur van uw Geest.

Laten wij weten:

U doet ons pijn ter wille van de wereld

die U zo lief hebt, U doet ons pijn

omdat wij de broeders en zusters zijn

van uw gekruisigde Zoon.

 

Klein Handvest, Maria de Groot

*