PDF Print

In het hart van de zaak 31


 

Zondag van het verlorene, 12 september 2010

Vijftiende zondag na Pinksteren, 19e in de reeks

Gedachtenis van het feest van Kruisverheffing

 

De eerste lezing van deze zondag maakt direct duidelijk dat we midden in een verhaal terecht komen. Er is heel wat gebeurd daar aan de voet van de berg Sinai waar de mensen die uit Egypte zijn weggetrokken bivakkeren. Dat zijn niet alleen Israëlieten, maar ook mensen met diverse achtergrond die de kans hebben waargenomen om Egypte te ontvluchten. Ze waren daar immers vreemdelingen die met de nek werden aangekeken, net goed genoeg om het vuile werk te doen. En van het volkje Israël hebben we genoeg gehoord om te weten dat ook zij blij en opgelucht bij de berg Sinai zijn aangekomen. Hoofdstuk 24 van het boek Exodus vertelt hoe God een verbond sluit door bemiddeling van Mozes. Hij krijgt te horen wat daaraan verbonden is, er zijn geboden en regels en de belofte van de Heer dat Hij zich aan dit verbond zal houden. Zoals ook het volk moet weten dat dit niet een vrijblijvende zaak is, maar een doodernstige waar bloed aan te pas komt. Mensen in die tijd vonden het niet vreemd dat zij via dit verbond met God verbonden werden. Ook de volkeren uit die tijd kenden verdragen die werden afgesloten tussen koningen en overheerste volkeren. Dan wisten beide partijen waar ze aan toe waren.

 

Het verbond is niet een tijdelijke overeenkomst maar draagt een definitief karakter. Gods woord houdt stand in eeuwigheid, maar van de mensen mag je vergen dat ze heel hun leven lang het verbond bewaren. Ze krijgen de opdracht tot het maken van een heiligdom, een plaats waar God zich laat vinden en waar ze zich mogen plaatsen voor Gods Aangezicht.

Hij is de Verborgene die bij zijn mensen wil wonen. Hij brengt ze thuis uit het slavenhuis, hun toekomst is verzekerd. Van hoofdstuk 24 tot en met hoofdstuk 30 behandelt het boek Exodus in detail hoe de bouw en de vervaardiging van de heilige voorwerpen moet verlopen.

Mozes krijgt tenslotte de opdracht om op te klimmen naar de top van de berg en Aäron met de zeventig oudsten van het volk achter te laten. Daar zal Hij de Eeuwige ontmoeten en twee stenen platen ontvangen waarop het heilig Onderricht is geschreven. Het is God zelf die daar de hand in heeft.

 

Gods verbond met de mensen die Hij liefheeft is een vreugdevolle zaak die voorgoed richting en uitzicht geeft aan het leven van de mensen in de woestijn en ook daarna als ze in de het
Beloofde Land zijn aangekomen. Daarom zullen ook de geboden met blijdschap worden ontvangen en uigevoerd en de regels zijn er voor de mensen om elkaar niet voor de voeten te lopen en God niet te ontlopen.

Het Joodse volk en de Kerk van Christus delen het psalmboek, ook psalm 119, de langste in aantal verzen, één groot loflied, één uiting van blijdschap, die soms voortkomt uit het binnenste van mensen die de goedheid van de Heer ervaren in hun leven, maar soms ook en vooral een blijdschap die geschonken wordt, die je overkomt, die geen grenzen kent.

Blaise Pascal, de grote, maar bovenal vrome geleerde bad deze psalm dagelijks, zoals ook het getijdengebied van de Kerk, zoals beoefend vooral in beschouwende kloosters, deze psalm van dag tot dag verdeelt over de kleine uren.

 

Er zijn momenten in ieders leven dat die blijdschap ver te zoeken is, dat we het maar moeilijk hebben met Gods geboden en met de regelmaat van ons geloofsleven.

Dat treft dikwijls niet alleen ons eigen bestaan, maar ook dat van onze medemens.

Het Joodse volk beleeft in deze dagen de Grote Verzoendag. Tien dagen lang is er gelegenheid om goed te maken wat verkeerd is in de relatie met de ander. Dat moet eerst gebeuren voordat de Heer God eraan te pas komt. Jezus zegt het ook heel duidelijk in de Bergrede: Als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven.

Maar als je de anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie misstappen evenmin vergeven. (Matteüs 6, 14).

De introïtus van deze zondag herinnert ons aan deze boetedag:

Rechtvaardig zijt Gij, Heer,waarachtig is wat Gij verordent. Doe met uw knecht volgens uw genade, naar uw barmhartigheid. Zalig zij die zuiver hun weg gaan, die wandelen zoals de Heer hun wil wijzen.

 

De mensen aan de voet van de berg vinden dat Mozes wel erg lang wegblijft en dat ze er buiten gehouden worden. Ze nemen het heft in handen, ontwikkelen het initiatief, waarbij Aäron een machteloze rol speelt en maken een gouden beeld van een stierkalf met de sieraden van hun vrouwen. Er ontstaat een luidruchtig feest want lawaai is meestal wat overblijft als de bezinning verdwijnt.

Op dit punt zijn we aangekomen bij de lezing van het verlorene. We verstaan dat het niet uitsluitend gaat om het verloren schaapje of een kwijtgeraakt muntstuk waarvan de evangelielezing spreekt

 

We houden moeite met een God die razend is en met bijbelteksten die dat uitspreken. ‘Ga maar naar beneden Mozes, want je volk dat je uit Egypte hebt geleid, is tot zonde vervallen. Ze hebben een stierenbeeld gemaakt en schreeuwen: ‘Israël, dit is de god die je uit Egypte heeft geleid. Laat Mij begaan, dan kan Ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van jou zal Ik een groot volk maken’.

Mozes tracht de Heer, zijn God, gunstig te stemmen. ‘Het is toch ook uw volk, U hebt ze bevrijd uit de slavernij, U hebt toch aan Abraham,Isaak en Jacob beloofd dat hun nakomelingen een talrijk volk zullen vormen dat het land dat U hebt beloofd, voor altijd zullen bewonen’.

Toen zag de Heer af van het onheil, waarmee Hij had bedreigd. Opnieuw zijn ze Gods volk, de schapen die Hij leidt ondanks alles.

Maar wat is Mozes een goede leider, een echte herder van een grote groep ongeregelde mensen die doen wat ze invalt.

Hij pleit bij God, zoals eens Abraham stond te sjacheren voor de bevolking van het stadje Sodom en tot het uiterste ging zoals God tot het uiterste ging. Lees dit mooie verhaal in Genesis 18, vanaf vers 16.

Wij hebben een bewogen God die het verlorene zoekt. Daarover gaat het op deze zondag en daar heeft ook de apostel Paulus weet van in de eerste brief aan Timoteüs, de tweede lezing van vandaag. ‘Ik ben in rijke overvloed de genade van onze Heer deelachtig en daarmee het geloof en de liefde die in Christus Jezus zijn. Hij is in de wereld gekomen om zondaars te redden.’

Zondaars zijn mensen die verkeerde wegen gaan en verkeerde dingen doen. Dat éne weggedwaalde schaap uit het evangelie van vandaag, is God evenveel waard als de hele kudde. En dat kleine muntje dat is zoekgeraakt, wordt gezocht totdat het wordt gevonden.

 

De schildering in de apsis van de kathedraal houdt het ons voor. Bij alle gestrengheid draagt Christus, de Albeheerser, het verloren en teruggevonden schaapje op zijn schouder. Ze zijn gekomen van oost en west, de kerk, dat dwarse volk dat soms Farizeese trekken vertoont, maar even zo goed niet is opgewassen tegen de liefde die boven alles uitgaat en ons doet opzien en uitzien naar het Land dat God heeft beloofd.

 

Van kerk en wereld

 

Samen op de aarde,

dat beloofde land,

God zal ons bewaren,

want Hij houdt in stand

 

wat Hij heeft geschapen

met zijn hand, zijn woord,

Hij zal niet verlaten

wat Hem toebehoort.

 

’t Westen en het oosten,

voor- en nageslacht,

om zijn naam te troosten

zijn ze aangebracht.

 

Om zijn naam te prijzen

gaf Hij zon en maan,

wijzen en onwijzen

gunt Hij één bestaan.

 

Israël, Egypte,

stem en tegenstem,

hoogtepunt en diepte-

alles zegent Hem,

 

want Hij zal verzoenen

wat vijandig is,

nieuwe namen noemen

voor een oud gemis.

 

Kerk en wereld samen,

vasteland en zee,

worden ja en amen,

ja uit ja en nee.

 

Willem Barnard OKG 837

 

Gebed

 

Eeuwige onze God,

Gij die de bron zijt

van alle hoop en levenskracht:

schenk alle mensen op aarde

vertrouwen in de woorden

die van U spreken

en doe ons gelijken op Hem

die het beeld is

van uw mensenliefde,

Jezus, onze tochtgenoot,

dit uur en alle dagen van ons leven.

Amen.

 

*