PDF Print

In het hart van de zaak 32

Zondag van de onrechtvaardige rentmeester, 19 september 2010

Zestiende zondag na Pinksteren, 20 in de reeks

Een moeilijk verhaal in een omstreden hoofdstuk van de evangelist Lucas.

Een zaakwaarnemer van een rijk man, misschien zo rijk dat hij zelf zijn bezittingen niet geheel kan overzien, wordt aangeklaagd wegens groot misbruik van zijn positie. Er is een klokkenluider die naar buiten komt en een boekje opendoet. De rentmeester waar het hier om gaat, begrijpt dat het afgelopen is met zijn kwalijk gedrag en hij blijkt niet alleen hebberig, te zijn maar ook slim en listig.

Tot zover hebben we geen moeite met deze dingen. Wat toen zich kon voordoen, is in onze maatschappij aan de orde van de dag. Je verrijken op een schandelijke manier is in bepaalde kringen niet ongewoon en er was in de voorbije jaren een doorgaande crisis op ongekende schaal voor nodig om dit naar buiten te brengen. Ook nu spelen slimheid en listigheid een belangrijke rol. Hoe kunnen we ons eruit redden en op ons geld blijven zitten? Er wordt koortsachtig achter de schermen besproken hoe het verder moet.

Jezus zegt in dit evangelieverhaal, dat de kinderen van de duisternis- die dingen doen die het licht niet kunnen zien- onderling met veel meer overleg weten te handelen dan de kinderen van het licht. En hij stelt de rentmeester als voorbeeld. Zijn slechte gedrag neemt niet weg dat hij op het punt van goed overleg, uiterst belangrijk in verband met zijn verdere toekomst,valt te prijzen. Daar kunnen goede mensen nog wat van leren.

Keizer Julianus de Afvallige ( hij regeerde van 361-363) heeft dit hoofdstuk in zijn tijd aan de kaak gesteld om aan te tonen dat de leer van Jezus immoreel is, omdat de onrechtvaardige man hier wordt geprezen om zijn listigheid. De keizer was de christenen niet goedgezind en dat is merkbaar in zijn optreden. Maar in dit geval kunnen wij ons indenken dat hij een punt heeft.

Maar is dat zo? Laten we zien of dit verhaal werkelijk aanleiding geeft om zo te denken. De rentmeester is een gladde jongen en hij denkt verder dan de vraag: hoe red ik mij hier nu uit? Zijn baan is hij immers kwijt nu zijn heer hem heeft ontslagen nadat duidelijk was geworden wat er aan de hand was.

Hij roept één voor één de schuldenaars bij zich en laat ze zelf zeggen wat ze schuldig zijn aan leveranties in olie en tarwe. Dat is niet mis; omgerekend zo’n anderhalf jaar werk voor een dagloner. Hij verlaagt de bedragen op de schuldbekentenissen tot op de helft en laat ze zelf schrijven. Waarschijnlijk zijn dat de echte prijzen en heeft de rentmeester een fors bedrag voor zichzelf er bovenop gezet. De schuldenaars zijn stuk voor stuk gelukkig en er is geen haan die er naar kraait. Straks als hij op straat staat zijn er vast adressen waar hij terecht kan voor onderdak bij dankbare mensen, die zich de goede man herinneren.

En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester omdat hij met overleg gehandeld had, want de kinderen van deze wereld handelen onderling met meer overleg dan de kinderen van het licht.

Gebruikelijke aanduidingen in het Palestina van toen. Mensen worden onder elkaar aangeduid als behorend tot de wereld waarin het dagelijks leven zich afspeelt. De kinderen van het licht worden zo genoemd in hun contact met God en met elkaar. Zij krijgen in dit voorbeeldverhaal de raad om zich vrienden te maken met behulp van de onrechtvaardige Mammon. Als hun aardse leven ten einde loopt en alles hen ontvalt, geld, rijkdom, vermogen, zullen ze worden ontvangen in de eeuwige tenten. Het hebreeuwse woord mammon is waarschijnlijk datgene waarop men zijn vertrouwen stelt omdat het is afgeleid van een woord waarin wij ons woord amen herkennen en ook geloven, vertrouwen.

Wanneer is de Mammon nu onrechtvaardig? Als geld en rijkdom tot onrechtvaardig gedrag verleiden. Dat gebeurt wanneer geld het doel op zichzelf wordt.

Er zijn rabbijnse uitspraken die verwant zijn aan wat Jezus hier zegt. Heel bekend is de rijken helpen de armen in deze wereld, maar de armen helpen de rijken in de komende wereld.

Wanneer iemand een goed gebruik maakt van zijn geld of vermogen, dan heeft dat voor de betrokkene zo’n vergaande uitwerking dat het tot in eeuwigheid voortduurt, wanneer het geld zelf allang zijn waarde heeft verloren. Het vormt de schat in de hemel die onuitputtelijk is en waar geen dief aankomt. (Lucas 12, 33). Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn, zegt Jezus tot zijn discipelen als hij ze leert om niet bezorgd te zijn. Zoekt eerst Gods koninkrijk en al die dingen waar een mens zorgen over kan hebben, zullen je daarenboven gegeven worden.

De hutten of tenten in ons verhaal willen zeggen: ingaan in Gods koninkrijk. Het is zinvol om in deze weken te denken aan het Loofhuttenfeest dat immers ook doet uitzien naar de grote voleinding.

De eerste lezing uit de profeet Amos (6,1-7) spreekt op felle toon tot de zorgelozen in Sion, de zelfverzekerden in Samaria, de notabelen van het volk die zich totaal niet bekommeren om het lot van het gewone volk, de armen die het onheil zien naderen. Maar Amos zegt: de ballingschap komt eraan, maar het zijn dit keer niet de armen en de hulpelozen die de dupe zijn en de slagen krijgen. Het zijn degenen die het onheil zelf naderbij hebben gebracht en die lui op hun rustbanken liggen. Zij zullen als eersten de ballingschap ingaan en dan is het gedaan met de feesten die ten koste van de gewone man zijn aangericht.

 

De tweede lezing uit de eerste brief van de apostel aan Timóteüs bevat troostwoorden voor ons allen.(1 Tim. 6, 17-19) Goed om mee af te sluiten!

 

Vermaan de rijken van deze wereld dringend niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet in zoiets onzekers te stellen als rijkdom, maar op God die ons rijkelijk van alles voorziet om er van te genieten.

En draag hun op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig en bereid om te delen. Zo leggen ze een stevig fundament voor de toekomst, en winnen ze het ware leven.

 

 

Nu nog met halve woorden

 

Nu nog halve woorden, hier en daar,

kjkend in donk-re spiegels, bijna waar,

blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,

doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.

Dan eenmaal wordt, wat niet bestaat:

wij zullen open gaan

en zien en horen, oog in oog,

van mens tot mens verstaan.

 

Weten voorbij aan alle angst en schijn,

en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.

lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen

rusten in licht als leeuw en lam te zamen.

Nu nog verslaafd, dan waar en vrij,

ontketend, onverbloemd.

nu nog in tranen, dan getroost

en met mijzelf verzoend.

 

Huub Oosterhuis OKG 764

 

Gebed

 

Eeuwige en Getrouwe,

mensen die wachten

op licht in hun bestaan

roept Gij bij name

om in vrede en vrijheid

voor uw aangezicht te leven;

geef ons in het woord van uw Zoon

uw stem te horen

en maak ons kind aan huis bij U,

van nu aan tot in de eeuwen der eeuwen.

Amen.

 

 

 

*