PDF Print

In het hart van de zaak 33

Zondag van de rijke man en de arme Lazarus

Zeventiende 

zondag na Pinksteren,

20e in de reeks, 26 september 2010

 

25 september:

gedenkdag van de Hervorming van Port-Royal

 

Zó begint het verhaal dat Lucas als enige van de evangelisten heeft doorverteld:

 

Er was een rijk man, die in purper en fijn linnen gekleed ging en dagelijks schitterende feesten aanrichtte. En er was een bedelaar, Lazarus geheten, met zweren bedekt, die bij zijn poort lag en die verrekte van de honger… (lees verder in Lucas 16, 19-31).

 

We weten van Sint Lucas, die bekend staat als geneesheer, dat hij zeer begaan was met zieken en arme mensen en in de ban van de wonderen die Jezus verrichtte, vooral van de genezingsverhalen.

Zo’n rijke man die elke dag niet veel meer te doen had dan eten en drinken en feest vieren met zijn relaties, die overigens niet worden vermeld maar wel vermoed; zo’n rijke man die in zijn gedrag niet veel afwijkt van de leefwijze van de rijken van toen en nu, wordt door Lucas naamloos opgevoerd. Wat pijnlijk dus voor de man van naam die zich graag hoort noemen bij elke gelegenheid die zich voordoet in de society.

 

En daarnaast een bedelaar die wel bij name wordt vermeld, Lazarus, de man bij de poort. Zoals je ze ook vandaag kunt tegenkomen in de stad waar je anoniem kunt zijn als dak- en thuisloze. Die hebben het beter dan de bedelaar van toen en hoeven niet meer de vuilnisbakken leeg te eten en ‘nachts rond te zwerven tenzij ze niet anders willen.

Er is veel veranderd in onze verzorgingsstaat en die veranderingen gaan door in goede en slechte tijden, maar de tegenstelling rijk- arm blijft bestaan.

Anders dan de rijke man wordt de bedelaar wel bij zijn naam genoemd. Hij heet Lazarus en dat betekent zoiets als ‘God helpt’. Het is trouwens ook de enige keer dat in een gelijkenis van Jezus een naam wordt genoemd! Bedelaars eindigden vaak in een naamloos graf.

 

We beginnen al te vermoeden, dat het niet zomaar een verhaaltje is, maar een evangelieverhaal. Een blij bericht, een goede boodschap dus met een uitzicht op een hoopvolle toekomst die zich uitstrekt door tijd en eeuwigheid.

Lucas laat dit ook duidelijk uitkomen in zijn verhaal. De arme man laat niets achter dan de trouwe honden die zijn pijnlijke zweren kwamen likken en die hem zullen missen.

Een dure begrafenis is er niet en die kan gemist worden, want Lazarus raakt uit zijn lijden en wordt door de engelen gedragen in de schoot van Abraham.

 

De katholieke liturgie kent een sterk geloofslied, dat gezongen kan worden bij het uitdragen van een overledene na de uitvaartmis. Het heeft een aangrijpende gregoriaanse melodie die is samengesteld uit de zevende en achtste kerktoon. In paradisum.

Een Nederlandse bewerking vinden we in OKG 488:

 

Naar ’s hemels hoven geleiden u de engelen,

als gij daar aankomt, begroeten u de martelaren

en zij brengen u in de heilige stad Jeruzalem.

 

 

Een koor van engelenstemmen moge u begroeten

en tezamen met de arme Lazarus

zult gij eeuwige rust ontvangen.

 

Indrukwekkend zo’n tekst die je tot driemaal toe mag uitzingen.

Zeker wanneer een mens zich goed realiseert wat hij zingt, staande aan de grens van het aardse leven, terwijl de gestorven mens die wordt uitgedragen, over die definitieve grens en scheiding wordt heengetild.

Op weg naar het land van louter licht

waar heil’gen heersers zijn.

Nooit gaat de gouden dag daar dicht

in duisternis of pijn.

 

Lazarus wordt als kind van Israël door de engelen gedragen in de schoot van Vader Abraham.

Hij die in het leven niet in tel was, telt nu ten volle. Zo ziet God ons als mensen,één voor één en bij name. Zoals we ook als mens en ieder persoonlijk de verantwoordelijkheid blijven dragen voor eigen daden. Ook al mogen wij onze hoop bouwen, niet op de onzekerheid van rijkdom en bezit maar op God die ons alles rijkelijk te genieten geeft. Zo staat het in de eerste brief aan Timóteüs (6, 11b- 19), de tweede lezing op deze zondag

 

Dat is wat de rijke man verweten gaat worden. Niet dat hij rijk was, terwijl zoveel anderen arm zijn, maar zijn levenswijze, het slechte gebruik dat hij maakt van zijn rijkdom en van de mogelijkheden die hij heeft gehad. Zoals de apostel het zegt in de genoemde brief: ‘Zeg de rijken dat zij wèl doen, zich verrijken door goede daden en vrijgevig zijn en milddadig. Zo bezorgen zij zich een goede belegging voor de toekomst, om eenmaal het leven te verwerven dat waarlijk leven is’.

Ook de rijke stierf en werd begraven. Ook hij gaat de grens over, die dit evangelieverhaal

onvermijdelijk in twee delen splitst.

 

Het ging tot dusver over twee mensen die hun aardse leven op eigen wijze hebben ingevuld.

Dood is dood, zeggen sommige moderne mensen in hun verlegenheid en zonder verwachting van een na-aards bestaan.

Dood is dood en dan ben je van alles af

Als het leven geen waarde meer voor je heeft, moet een zelf gekozen dood een uitweg kunnen bieden en een einde maken aan je angst voor de toekomst.

 

De verwachting van het Joodse volk in de dagen van Jezus klinkt door in ons verhaal. Een kleine groep mensen in de kring van elitaire bewoners van Jeruzalem, waaronder de Sadduceeën, had geen verwachting van een leven na de dood. Jezus is op de hoogte van dit denken dat hij meerdere malen tegenspreekt: God is niet een God van doden, maar van levenden!

In de tijd van de profeten is binnen het volk Israël de verwachting gegroeid van een voortgezet leven na de dood, die wel het einde betekent van het aardse bestaan van een mens, maar tevens het begin van een nieuwe werkelijkheid, die God heeft bereid voor allen die Hem liefhebben. Het rijk van de doden is een plaats van licht en vreugde, maar ook een oord van boete en berouw. God wordt in dit verhaal niet genoemd; de grote dag des Heren is nog niet gekomen, het laatste oordeel over al wat leeft moet zich nog voltrekken. Maar de voorlopige scheiding waarvan het verhaal spreekt laat zien dat de dood geen einde maakt aan de gevolgen van de leefwijze van een mens. Terwijl Lazarus zwijgt – vrede en eeuwige rust – ontvangt in de schoot van Abraham, komt het tot een gesprek met de rijke man die zich het pijnigende van zijn situatie bewust is geworden en van verre een noodkreet uit. ‘Vader Abraham, ontferm u over mij en stuur Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in het water doopt en mijn tong verkoelt, want ik lijd pijn in deze vlam’.

Maar Abraham spreekt hem toe als ‘mijn zoon’, de man blijft een kind van Israël, maar hij moet wel weten dat het onrecht dat op aarde dagelijks mensen wordt aangedaan, zich niet voortzet, maar plaats maakt voor rechtvaardigheid. De rijke man kwam niets tekort, de arme bedelaar ontbrak het aan alles, maar dat is voorgoed voorbij. Lazarus wordt vertroost, de rijke man lijdt pijn.

De kloof die op aarde door toedoen van de mensen scheiding brengt tussen schatrijk en straatarm is niet te vergelijken met de diepe kloof die verhindert dat er nog communicatie is.

De kansen die er waren zijn voorbij, er is een grens getrokken, tot hiertoe en niet verder.

 

Hoe moet het dan met mijn broers? Stuur Lazarus naar het huis van de familie zodat hij kan vertellen hoe het met mij gesteld is.

Maar waarom zouden ze luisteren? Ze hebben toch immers de Wet en de profeten. In die woorden klinkt het woord van God, ze zijn gewaarschuwd om de rechte weg te gaan, van week tot week klinken de woorden die God spreekt tot zijn volk.

Maar de eens zo rijke man, die beseft dat hij niets meer heeft om in te brengen, weet wel beter. Hij heeft immers zelf ook alle kansen gehad, maar geloofde het wel.

Een mirakel, een wonder kan misschien helpen. Zoals ook in onze tijd mensen hun gedachten willen ondersteunen door een zichtbaar en onverklaarbaar teken.

Neen, zegt Abraham, reken daar maar niet op. Als ze Gods woord niet ernstig nemen en er aan voorbij leven, zullen ze zich ook niet laten overtuigen, wanneer iemand uit de doden opstaat.

 

De eerste lezing van de profeet Amos laat de woede en de wanhoop horen van een eenvoudige man die geroepen werd om zijn boerenbedrijf- hij was schapenfokker en vijgenkweker in Tekoa in het zuidelijk rijk Juda-

in de steek te laten om te profeteren tegen het noordelijk koninkrijk Israël.

Hij werd gehoond en weggejaagd, maar het gezag van God in zijn leven maakte hem onverschrokken om het onrecht uit te roepen, tot in de hoofdstad Samaria toe.

De keuze van dit schriftgedeelte wil niet betekenen, dat de rijke man gelijkgesteld mag worden met degenen die door Amos worden veroordeeld.

 

Gelukkig klinken op deze zondag ook de woorden die de apostel richt tot Timóteüs, waarin het geloof van de eerste christengemeente doorklinkt.

God is de opperste heer die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in het ongenaakbaar licht.

Maar op zijn dag zal Hij ons Jezus Christus doen aanschouwen. Strijd de goede strijd van het geloof en grijp het eeuwige leven.

Uit genade, de liefde van God die alle verstand te boven gaat.

Hij toont zijn almacht vooral door genadig te zijn en sparen, zegt het gebed van deze zondag. We blijven kinderen, ondeugende en hardleerse kinderen, wij hebben Gods bijstand nodig opdat wij zijn koninkrijk mogen binnengaan.

 

 

UIT PSALM 119

 

Welzalig die de rechte wegen gaan,

wie in de regels van Gods wijsheid treden.

Zalig wie zijn getuigenis verstaan,

van ganser harte zoeken naar zijn vrede.

Geen onrecht en geen dwaling lokt hen aan.

de weg der zondaars wordt door hen gemeden.

 

Gij hebt ons hart uw orde opgelegd,

opdat wij die met ijver onderhouden.

Ach, ging ik toch de wegen van uw recht,

dan stond ik niet beschaamd, als ik vertrouwde

op wat Gij in uw liefde tot mij zegt,

als ik de schoonheid van uw wet aanschouwde.

 

O, God, ik ben van harte zeer verblijd

over de weg van uw getuigenissen.

In uw bevelen ligt mijn zaligheid,

ik zal mij van uw wegen vergewissen.

Ik loof U, die mijn grootste rijkdom zijt,

laat mij, o Heer, geen van uw woorden missen.

 

Geef leven aan mijn ziel, wees Gij mijn lied,

geef dat ik eeuwig U mag toebehoren.

Onthoud mij uw getuigenissen niet,

ik was een schaap en had de weg verloren.

Zoek, Heer, uw knecht, ik hoor wat Gij gebiedt,

Gij hebt mij immers tot uw dienst verkoren.

 

Uit psalm 119 OKG 269

 

Gebed

 

Barmhartige God,

laat uw woorden ons bereid maken

ons tot U te bekeren

en laat Jezus, onze Leidsman,

ons voeren op wegen

van waarheid en trouw.

Hij die al ons kwaad in liefde wegdraagt

en die voor ons bidt bij U,

dit uur en alle dagen van ons leven.

Amen.

*