PDF Print

In het hart van de zaak 34

Zondag van de onnutte knechten , 3 oktober 2010

Negentiende zondag na Pinksteren, 22 in de reeks

 

Gedachtenis H. Franciscus van Assisi (4 oktober)

Diesviering van de O.R.K.A.

 

De eerste profetische lezing van deze zondag klinkt ons heel anders in de oren dan de beide voorgaande uit de profetie van Amos.

De profeet Habakuk maakt ook deel uit van het boek van de kleine profeten, en hij had evenals Amos te maken met de politiek en de wrede oorlogen in zijn dagen.

Het kleine volk, na Salomo de grote koning verdeeld in twee rijken, het noordelijk rijk Israël van tien stammen en het zuidelijk rijkje Juda van twee stammen, met de hoofdstad Jeruzalem, voelt zich machteloos en niet opgewassen tegen de grootmachten van hun tijd. Assyrie en later Babylon, het rijk van de Chaldeeën.

 

Amos verzet zich tegen de heersende cultuur en de corruptie in het land Israël met de hoofdstad Samaria. En hij profeteert en schreeuwt zijn boodschap van de daken. De Assyriers zullen het land veroveren en de tien stammen wegvoeren, waarna andere volkeren zich zullen vestigen in het leeggehaalde land. En zo is het gegaan. Over het lot van de tien stammen van het Hebreeuwse volk kan voortaan alleen nog maar worden gedroomd. Ze zijn verstrooid tot op de huidige dag.

 

Het zuidelijk rijk Juda bestaat globaal gezegd driehonderd jaar, van 900 tot 600 v. Christus.

Als het op een eind loopt krijgen de koningen van Juda te maken met de Chaldeeën, een naam die later gaat gelden voor het gehele grote Babylonische rijk. In het jaar 597 verovert koning Nebukadnessar de stad Jeruzalem en na een opstand tegen zijn gezag en de bezetting algehele verwoesting van stad en tempel en de wegvoering van een groot deel van de bevolking naar de stad Babel De armen blijven achter in de stad en trachten te overleven. De zeventigjarige ballingschap is begonnen. Daarna zal alles anders zijn.

 

Omstreeks 6oo v.Chr. profeteert een verder onbekende profeet Habakuk. Zijn woorden zijn

verzameld in een klein geschrift, tezamen met andere schrifttradities uit die tijd.

Hij ziet de overval van de Chaldeeën als een straf van God. Men heeft het ernaar gemaakt maar dat neemt niet weg dat Habakuk zich blijft beroepen op de Heilige, zijn God. Hij verwacht dat hij antwoord zal krijgen op zijn verwijten en daar ziet hij naar uit.

Hij krijgt antwoord van de Heer ‘ het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is, het getuigt ervan, het liegt niet. Ook al is het nog niet vervuld, wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven. Wie niet oprecht is, kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal even door zijn trouw’.

Het boekje eindigt in het derde hoofdstuk met een gebed waarin het geweld wordt genoemd en de profeet laat merken hoezeer hij is aangegrepen door het woeste geweld om hem heen terwijl hij verder machteloos moet wachten op de dag van het onheil.

Maar dan ervaart hij eerst recht de kracht van het geloof en wat het betekent als een mens zich in handen mag geven van de God die redt en ondanks alles kan juichen voor de Heer.

 

Dit ontroerende slot van het boek Habakuk geeft een plaats gekregen in de eredienst van het volk Israël en draagt een sterk poëtisch karakter.

Het is op deze zondag de eerste lezing als opmaat naar het evangelie, waar leerlingen van Jezus hem vragen: ‘Heer, vermeerder ons geloof’. Het hoofdstuk, Lucas 17, spreekt over de discipelen van Jezus. Dat zijn volgelingen, leerlingen die onderweg iets zijn gaan begrijpen van de bedoelingen en de woorden van Jezus. Her in dit gedeelte, vanaf vers 5 worden ze apostelen genoemd. Dat zijn mensen die je met een boodschap kunt sturen. Ze hebben een volmacht, ze spreken en doen in de naam van de Opgestane, de verrezen Christus.

Wat moet dat worden? Zijn ze wel daartoe in staat? Met zoveel tegenstand, onbegrip en ongeloof, met vijandschap en vervolging zelfs!

Kunnen eenvoudige vissers uit Galilea zomaar de wijde wereld in gestuurd worden?

Heer, vermeerder ons geloof!

Daar moeten we het straks toch van hebben. Vertrouwen in de woorden en de beloften van Jezus.

Misschien hebben ze gehoord van Habakuk, misschien kenden ze zijn woorden, overgenomen door de gelovige gemeenschap rond de tempel en de synagoge.

 

Al zou de vijgenboom niet bloeien en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen voedsel opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallen zijn, nochtans zal ik juichen in de HEER, jubelen in de God van mijn heil. De Heer, de HERE is mijn kracht; Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij laat mij over de bergen gaan.

 

Alles waarop een boer uit Juda kan bouwen is verdwenen. Berooid is de man, berooid is Habakuk met zijn volksgenoten. Maar toch..

‘Heer, vermeerder ons geloof’. Geef ons geloof als Habakuk. Dat is toch om jaloers op te worden. Maar voor Jezus telt dat niet. Geloof is geloof, vertrouwen is vertrouwen!.

Mensen hebben snel te neiging om te vergelijken: je hebt mensen met een groot geloof en mensen met een zwak en klein geloof. De één staat altijd klaar in de parochie, de ander zie je weinig of nooit. De één zingt zijn en haar geloof uit in de kerkbanken en versterkt het gebed van de gemeenschap. De ander gelooft het wel en wacht op een moment dat het misschien nuttig is eens naar de kerk te gaan.

 

Het is menselijk om je aan het gedrag van een ander te storen. Het is ook menselijk, niet-menselijk, om een ander te sterken en te ondersteunen, te helpen en bij te staan.

Dat zijn geen grote prestaties waarop je prat kunt gaan.

‘Als je die dingen gedaan hebt, zegt Jezus, als je zo dienstbaar wilt zijn, moet je gewoon zeggen: wij zijn onnutte dienstknechten, we hebben gedaan wat wij verplicht waren te doen’.

 

Geloof is geen bezit, maar een gave. De verwondering dat zoiets in je leven is gekomen, dat het je zomaar geschonken wordt, klinkt door in het spreken van mensen die er weet van hebben.

Je moet er wel goed mee omgaan en niet slordig. In de tweede lezing van de zondag, uit de tweede brief aan Timoteüs (1,6-14), wijst de apostel op de noodzaak te getuigen van de roeping die ons in Jezus Christus is verleend, niet naar onze werken.

Zo is het niet begonnen, maar we moeten wel verder op de weg door het leven. Daarom, ‘wakker de genade van God in u aan, die door de oplegging van mijn handen in u is’.Kracht, liefde en zelfbeheersing, daarover gaat het in de gemeente!

 

Bewaar door de heilige Geest, die in ons woont, het goed dat u is toevertrouwd. (vs.14).

 

Uit psalm 149

 

Halleluja! Laat opgetogen

een nieuw gezang de Heer verhogen.

Laat allen die Gods Naam belijden

zich eensgezind verblijden.

Volk van God, loof Hem die u schiep;

Israël, dank Hem die u riep.

Trek, Sion, in een blijde stoet

uw Koning tegemoet.

 

De Heer gedenkt in gunst de zijnen.

Hij kroont de zwakken en de kleinen.

Hij kent de stillen in den lande,

het heil is nu ophanden.

Weest verheugd die de Heer verbeidt,

nu Hij komt en u zelf bevrijdt.

Prijst dan zijn Naam bij dag en nacht

en roemt zijn grote macht.

 

Psalm 149, 1 en 3 OKG 288

 

 

Gebed:

 

Jezus, vrede van ons hart,

U roept ieder van ons op U te volgen.

Naar wie anders zouden wij gaan

Dan naar U, o Christus?

U heeft de woorden

Die onze ziel tot leven wekken.

 

Geloofd zij de heilige Geest!

Hij houdt zich op in het diepste

Van ons wezen

En Hij verteert de smarten

Van ons leven

In het vuur van zijn aanwezigheid.

Amen.

*