PDF Print

In het hart van de zaak 35


Zondag van de tien melaatsen, 10 oktober 2010

Drie en twintigste zondag na Pinksteren, 23 in de reeks


Het lijkt zo’n eenvoudig verhaal, maar dat is schijn. Er wordt ons heel wat voorgehouden waarmee we ons voordeel kunnen doen en waarover we moeten nadenken.

Het gaat om meer dan alleen maar de constatering: ‘zo zie je, ondank is ’s werelds loon’.


Die bitter klinkende uiting kan je regelmatig opvangen in het verkeer van de mensen onderling en misschien heb je zelf ook wel eens een ervaring gehad die een dergelijke reactie bij je opriep.

Het evangelie van deze zondag Lucas 17,11-19) en de OT lezing uit het boek Ruth (1, 19a)

zijn niet moeilijk om aan te horen, mits goed voorgelezen en dat kan maken dat je voor je besef er snel mee klaar bent.

Laten we met elkaar ons wat verdiepen in wat de evangelist ons vertelt. Zonder dat we geheel voorbij gaan aan het ontroerende verhaal van Ruth en haar schoonmoeder Noömi


Jezus is nog steeds onderweg naar Jeruzalem. Lucas vertelt al eerder hoe dat is begonnen: in een Samaritaans dorp waar de mensen weigeren iemand die op weg is naar de stad, waar zij zelf in het geheel niet welkom zijn, in hun huizen te ontvangen. (Lucas 9, 51- 56).

‘ het geschiedde, toen de dagen van zijn opneming in vervulling gingen (zijn kruis en dood tegemoet), dat Hij zijn aangezicht richtte om naar Jeruzalem te reizen en Hij zond boden voor zich uit. En zij gingen heen en kwamen in een dorp van de Samaritanen om alles voor hem gereed te maken. Maar zij ontvangen hem niet omdat zijn aangezicht gericht was op Jeruzalem’. De mensen daar wisten hoe er over hen werd gedacht. In de ogen van de Joden waren zij ketters, bastaards, een veracht volk met wie je geen omgang mocht hebben.

Jezus kon dat niet doorbreken, daarvoor was de haat over en weer te groot.


Zo is het begonnen en in ons verhaal lijkt het vertrekpunt wel Samaria, maar dat heeft vooral te maken met die éne afgeschreven man in het gezelschap van tien; een vreemdeling temidden van negen Joden, althans dat kunnen we opmaken in loop van het verhaal. Een Samaritaan, een heiden. Het woord vreemdeling, dat veel voorkomt in de Schrift, klinkt vriendelijker,maar evengoed wil het zeggen dat zo’n iemand niet in de verboden zones van de tempel in Jeruzalem mocht komen.

Het is des te meer opmerkelijk dat mensen die elkaar niet aankeken en geen contact konden onderhouden, nu samen in een groep melaatsen optrekken. De strenge hygiënische wetten van die tijd en nog veel ouder, in Leviticus 13 en 14 uitvoerig beschreven,eisten een volledig isolement. Het besmettingsgevaar bij deze vreselijke ziekte - de nieuwe bijbelvertaling spreekt van ‘huidvraat‘ in plaats van melaatsheid- was maar al te zeer bekend en de afzichtelijke gevolgen van de voortschrijdende ziekte maakten de zwaar getroffen mensen ontoonbaar. Elk contact van een lepralijder en een gezond mens dienden vermeden te worden.

Kennelijk woog de solidariteit en het delen in elkaars lot zwaarder dan de haatgrens en kon de Samaritaanse man meetellen in dit verhaal dat ons zoveel te zeggen heeft.


De tien mannen houden zich aan de wetten en bewaren de afstand die hen scheidt van de gezonden. Ze blijven op een afstand staan en willen contact. Ze schreeuwen naar Jezus, ze noemen zijn naam en geven hem de titel Meester, rabbi. Wat kunnen ze hopen, als er iets te hopen valt? Ontferm u over ons, Kyrie eleison!

Zo hebben mensen de eeuwen door geroepen in hun wanhoop, hun verdriet, hun verlangen. Kyrie eleison, het geladen woord dat zoveel in zich bergt, waar mensen vaak geen woorden voor hebben. Wij kennen het als een onderdeel van de liturgie, soms indrukwekkend gezongen, ook wel begraven onder een kunstige compositie van een misgezang of eenvoudig als acclamatie, een uitroep. Zelden als kreet!


Bij die mannen was dat anders. Meer hebben ze niet te zeggen. De situatie is duidelijk. Jezus zegt ook weinig. Hij zag ze komen, de zielige groep mensen. Er wordt niet gesproken over genezing. Kan je genezen van je melaatsheid, de dodelijke kanker van die tijd?

Wie tot zijn schrik ontdekt dat het wel eens fout kan zijn, moet zich laten zien aan de priesters.

Zo staat het in de wet. Er is geen kruid tegen gewassen en daar wordt dan ook niet over gesproken. De priester is geen medicijnman. Ga maar en toon je aan de priesters, zegt Jezus.

En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij rein werden!

Het wordt ons verteld door Lucas op een haast laconieke manier. Je ziet ze dan ook niet meer terug in het verhaal. Ze hebben Jezus niet meer nodig, ze schreeuwden om hulp, maar nu kunnen ze zich zelf wel weer redden. Op één na en dat is die Samaritaan.


Waarom heeft de evangelist, de brenger van een blijde boodschap, het over tien mannen?

Het zou toch voldoende zijn als het drama zich afspeelt tussen een ondankbare Jood en een dankbare Samaritaan? Alsof het niet om méér gaat dan dat simpele‘ondank is ’s werelds loon’.

Tien is een getal met een bijzondere betekenis. Niet zomaar een cijfer of een aantal zonder meer.

Lucas heeft er tien nodig. We mogen denken aan Genesis 18, 16-33, het verhaal van Sodom en Gomorra en Abraham die zich tot het uiterste inzet voor deze stadjes waar men voortdurend de beest uithangt. Als er tien rechtvaardige inwoners gevonden worden, dan zal een catastrofe over deze plaatsen voorkomen kunnen worden. Maar de tien zijn er niet en de ramp voltrekt zich. Heeft Lucas dit dramatische verhaal voor ogen gehad?


De synagoge kent tien ook als een betekenisvol getal. Als je met elkaar wilt bidden om het dagelijks gebed te onderhouden, zijn er tenminste tien mannen of jongens die hun Bar Mitswa hebben gedaan noodzakelijk (de minjan). Zij kunnen de gehele gemeenschap vertegenwoordigen, zoals de tien rechtvaardigen die in het verhaal van Abraham de uiterste mogelijkheid vormen om hun stad te redden

In de kleine gedecimeerde Joodse gemeenten is het vaak niet mogelijk om zo gezamenlijk te bidden, tien voor allen. Hebben we minjan of blijven we steken op negen of zelfs minder?

Door de biddende gemeente wordt de wereld gered. Dat besef is levend gebleven, ook binnen de Kerk waar het soms net zo moeilijk is om het gebed en de lofzang gaande te houden.


Kort en bondig gezegd: de melaatse die onderweg merkte dat hij genezen was en direct terugkeerde was de verachte Samaritaan. Ziekte gold in die tijd als een straf voor begane zonden en genezing als begenadiging, als een nieuwe levenskans.

Dat verklaart de houding van deze man. Hij verheerlijkt God, zingt de Gloria met luide stem.

En hij dankt ook degene die hem gereinigd heeft, Jezus voor wie hij op de knieën valt.


Lucas vertelt dat Jezus drie vragen stelt: Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn de negen anderen? Is er dan niemand geweest die teruggekomen is om God eer te geven dan deze vreemdeling?.

Een vraag die ook aan ons kan worden gesteld. Hoe vaak gebeurt het niet dan mensen tevoren hun angst en nood uitschreeuwen, wat niet hetzelfde is als een vertrouwvol gebed tot God die de Heer is van hun leven, nadat zij genezen zijn over gaan tot de orde van de dag.

Iedereen die enig meeleven betoonde wordt bedankt en dat zullen de genezen negen mannen ook wel hebben gedaan na de terugkeer in hun familie- en kennissenkring.

Maar de Samaritaan blijft toch ons grote voorbeeld en zo heeft Lucas het ook bedoeld in zijn evangelie.

Hij komt ons tegemoet, hij helpt ons onze liturgie, onze dienst aan God en aan elkaar, beter en indringender te verstaan.

Kyrie riepen ze, Glorie, lof en prijs zong de Samaritaan met luide stem.

En hij viel op zijn aangezicht en dankte en dan staat er in het Grieks het woord dat wij kennen als ‘eucharistie’, de grote dankzegging waarvoor we weer gekomen zijn, ook op deze zondag van de tien melaatsen.


En Hij zei tot hem: Sta op, ga heen, uw geloof heeft u behouden!.


Woord van de Heer.


Kernteksten uit de eerste en de tweede lezing


Uit het boek Ruth:


Dring er bij mij niet op aan, dat ik u in de steek zou laten, door van u terug te keren;

Want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan en waar gij zult overnachten, zal ik vernachten;

Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; war gij zult sterven, zal ik sterven en daar zal ik begraven worden. (Ruth 1, 16- 17).


De Moabitische vrouw Ruth werd de overgrootmoeder van koning David en zij wordt genoemd in de lijst van geslachten, voorafgaande aan de komst van Jezus, zoon van David (Matteüs 1, 2- 6). Er is een zeer oude traditie die verband legt met het Davidische koningshuis zodat David van Moabitische afkomst zou zijn

Zo wordt Ruth, evenals de Samaritaanse man die het tiental vol maakt, de mens die de toekomst van het volk mogelijk maakt en Gods heil verzekert.


Uit 2 Timoteüs


Betrouwbaar is het woord: Als wij met hem gestorven zijn, zullen wij ook met hem leven;

Als wij volharden, zullen wij ook met hem heersen; als wij hem verloochenen , zal hij ook ons verloochenen, indien wij ontrouw zijn, hij blijft trouw want hij kan zichzelf niet verloochenen. (2,11-13).


Cor meum tibi dedo (1722 en 1745


Laat mij mijn hart en leven

U, Jezus, God en Heer,

in ootmoed mogen geven

ter uwer naam en eer.

Gij die ons ’t eeuwig leven geeft,

geef dat ik eeuwig voor U leef.

O Heer, die ons van ‘t kwaad geneest,

herschep in ons de rechte geest.


Wat dank zal ik U schenken

voor uwe komst in ’t stof,

wat loon voor U bedenken,

die kwam uit ’s hemels hof?

Geef mij, zegt Gij, uw hart, mijn kind!

Geef, Heer, dat ik uw handen vind.

O Heer, die ons van ’t kwaad geneest,

herschep in ons de rechte geest.


Gij hebt U neergebogen

tot mijn verheffing, Heer.

En zag uit mededogen

op mijn geringheid neer.

Nu leef ik, Heer, uit uwe kracht,

nu straalt uit mij, Heer, uwe macht.

O, Heer, die ons van ’t kwaad geneest,

herschep in ons de rechte geest.


Bewerkt door Mgr. E. Lagerwey OKG 609


Gebed:


Jezus onze

Heiland,

Wij zoeken uw blik

die de smart van onze harten

laat verdwijnen.

U zegt ons:

‘Maak je niet ongerust;

al ben Ik niet zichtbaar,

Ik ben steeds bij jou.


U bent de vreugde van ons hart,

aan hem die leeft door uw vergeving

en uw mededogen

laat U voorvoelen

de grootste zekerheid van alle:

Daar waar barmhartigheid is,

daar is God.


Broeder Roger van Taizé


*