PDF Print

In het hart van de zaak 36

In het hart van de zaak 36

 

Zondag van de onrechtvaardige rechter, 17 oktober 2010

Vier en twintigste zondag na Pinksteren, 23 in de reeks

 

In de afgelopen jaren kregen  we te maken met opzienbarende rechterlijke dwalingen.

Mensen zijn ten onrechte veroordeeld tot lange gevangenisstraffen en het heeft ook na hun vrijlating soms nog een lange tijd van martelende onzekerheid geduurd voordat ze zijn vrijgesproken na een reeks van slopende processen.

Wie zich hierin verdiept kan reageren met ongeloof, maar ook boos worden.

Hoe is dit mogelijk in een land waar we vanouds zo zorgvuldig omgaan met mensen en met de toepassing van het strafrecht niet uitgesloten?

Het is vreselijk wat mensen kan overkomen. Onrecht ondergaan terwijl er jarenlang niet wordt geluisterd.

In het verhaal dat ons komende zondag wordt voorgehouden lijkt het erop of ook hier sprake is van een falende rechtspraak.

Een vrouw in een kwetsbare positie die tevergeefs aanklopt bij de plaatselijke rechter om gehoord te worden in een juridisch geschil. Ze krijgt geen gehoor, maar ze houdt vol.’Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij’. De rechter kent zichzelf heel goed en zegt tegen zichzelf: ‘al bekommer ik mij niet om God en al stoor ik mij aan geen mens,  toch zal ik deze weduwe, omdat zij het mij zo moeilijk maakt, recht verschaffen’.

Hij voorziet eindeloos gezeur en wil van de zaak af zijn. Het heeft met de toepassing van het recht niets te maken, ook al heeft de vrouw bereikt wat zij wil. Misschien vliegt ze mij nog aan, zegt de NBV, best mogelijk dat het daar op uitloopt.

 

Waarom de man zo handelt vertelt het verhaal niet. In de Joodse rechtspraak worden weduwen en wezen met voorrang behandeld, juist met het oog op hun zwakke maatschappelijke positie. Maar het lijkt hiermee einde verhaal.

Maar zo is het niet.

Jezus vertelt ons dit als een gelijkenis, die een afsluiting vormt van zijn woorden over de komst van de Zoon des mensen, de toekomst van de Heer, het Koningschap van God.

Voordat hij komt is er een tussentijd die lang kan duren. De eerste christenen zagen met verlangen en grote verwachting uit naar het komen van het Rijk van God. Maranatha is de
Aramese uitroep die in de samenkomsten herhaaldelijk klonk en die ook een plaats kreeg in de liturgie.  De Heer is gekomen, de Heer komt, de Heer zal komen!  

Het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes, zegt het herhaald in het slothoofdstuk 22:

‘de tijd is nabij, Ik kom spoedig en ik heb het loon bij me, om  iedereen te belonen naar zijn daden’.

Maar toen de tijd verstreek werd het duidelijk dat het tijdstip niet was te berekenen en   evenmin de plaats waar. Ze benadrukten dat het rijk op verborgen wijze aanwezig was en groeide in het binnenste van de mensen die in hoop en verwachting uitzagen naar de nieuwe aarde.  Zoals het mosterdzaad en de schat in de akker en het zuurdesem, zeiden de kerkvaders.

Ook wisten zij dat de dag van de Zoon des mensen onverwacht en verrassend zal zijn als in de dagen van |Noach de zondvloed kwam en in de dagen van Lot het vuur over Sodom.

En zoals de Heer Jezus voor zijn verheerlijking, veel lijden moest ondergaan en verworpen moest worden, zo moest ook de Kerk het lijden ondergaan en verworpen worden, waarvan de eerste vervolgingen al de tekenen waren.

De tweede brief aan Timoteüs (2, 8- 11) spreekt daar over op indrukwekkende wijze.

 

Er is dus een tussentijd. Wat moet een mens in die tijd doen, in de dagen van zijn aardse leven die soms zo zwaar kunnen vallen en waarin weinig perspectief valt te ontdekken.

Hoe is het uit te houden al die ellende in de wereld, al het geweld dat zich groot maakt, al het leed dat mensen zomaar overkomt, het stomme lot waardoor je wordt getroffen en dat wij als onredelijk ervaren?

Jezus vertelde de gelijkenis om zijn leerlingen  erop te wijzen dat ze altijd moesten bidden en niet verflauwen.

Bidden en aandringen bij God, pleiten op zijn belofte!

Karl Marx had in de vorige eeuw niet veel op met die mooie beloften van het geloof. Hij dacht in de termen van de revolutie, een desnoods gewelddadige omwenteling die mensen zelf moesten bewerkstellingen. Velen van zijn volgelingen dachten als rechte marxisten niet anders en droomden van een Internationale die zou heersen op de aarde.

We hebben helaas gezien dat dit ook de oplossing niet is. Dat de revolutie zich keert tegen haar kinderen.

Maar wat moet een mens dan in die tussentijd doen?

Bidden, zegt Jezus, niet verslappen, de moed niet opgeven.

Hij komt, dat is zeker, plotseling, onvermoed?

Bidden is een gave én een opgave. Het gebed is een gave van God. Je bent een rijk mens als je weet te bidden in voorspoed en in tegenspoed, als je blij bent of verdrietig.

In de kerk, tijdens de viering van de Eucharistie, doen wij voorbede. Met elkaar en voor elkaar, voor mensen dichtbij en veraf. Er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht. Er gat een kracht uit van het eendrachtige gebed van een gemeente die is samengekomen om God te ontmoeten, Hem aan te roepen uit alle macht.

Gebed is ook een opgave. We worden in de Schrift en in de liturgie van de Kerk voortdurend aangemaand om voorbede te doen voor alle mensen, maar vooral ook voor de huisgenoten van het geloof. Daarmee geven we een voorbeeld aan andere mensen. In een bewaard gebleven  brief uit de oudste christengemeente wordt gezegd: zie, hoe lief ze elkaar hebben!

Bidden, zegt Jezus vandaag opnieuw, bidden en niet verflauwen.

 

Sint Augustinus, de grote bisschop en kerkvader van de Westerse kerk, had een schitterende carrière in het Romeinse rijk opgegeven en ging terug naar zijn vaderland, het gebied van de Berbers in Noord-Afrika. Hij werd op een zeker moment per acclamatie geroepen om bisschop te zijn in het kustplaatsje Hippo. Het was voor levenslang, zoals hij ook levenslang de begenadigde schrijver en prediker is gebleven.

Hij was daarnaast en misschien we in de eerste plaats zielzorger, de herder van zijn armoedige kudde van havenwerkers, die de basiliek bevolkten en elkaar verdrongen om dicht bij hun bisschop te zijn.

Het leven was zwaar en moeilijk. Er dreigden gevaren door de opmars van barbaarse volksstammen. De stad Rome werd gewelddadig bedreigd en de ondergang van het West- Romeinse rijk was nabij. Augustinus preekte over de komst van de Heer, waardoor alles nieuw zou worden. De mensen waren ongeduldig en riepen wanneer?

Maar hun bisschop zei: ‘ Zingen, broeders en zusters, zingen en laten we doorgaan! De preek is met honderden andere bewaard gebleven. Zingen en laten we doorgaan! Dat is wat we doen op zondagmorgen. Wie het vatten kan, die vatte het. Kun je nog zingen, zing dan mee.

 

De eerste lezing uit het boek Genesis (32, 23-32) vertelt het verhaal van Jakob die tijdens de nacht, op de vlucht voor Ezau, met vrouw en kinderen en zijn bezittingen de ondiepte van de rivier de Jabbok oversteekt en vervolgens alleen achterblijft. In het donker worstelt hij met een bovenmenselijke macht, die in psalm 91, 5 wordt aangeduid als de verschrikking van de nacht, het nachtelijk onheil, de schrik van de nacht. De worsteling duurt tot aan de dageraad en dan wil de ‘iemand’ een einde maken aan de strijd. Jakob vraagt om een zegen, want dan zal de ander niet langer vijand zijn. Jakob noemt zijn naam en verneemt dat zijn naam wordt gewijzigd in Israël, wat strijder zou betekenen. Hij heeft gestreden met God en de mensen en overwonnen. De tegenstander blijft onbekend, maar geeft wel een zegen. Jakob noemde de plaats Pniël, want hij zei: ‘ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en ik ben toch in leven gebleven’. De keuze van deze lezing is duidelijk. De strijd en de verzoekingen waaraan ieder mens kan blootstaan, is voor de gelovige soms een worsteling met een engel van God zelf, een demon in de nacht. Zoals Jezus stond in de verlatenheid van de woestijn en zich handhaafde in de geestelijke strijd die hij had te voeren.

Sinds die nacht ging Jakob mank aan zijn heup.

Het verhaal zegt: ‘De zon ging op, zodra hij Pniël voorbij was’.

Ook voor hem en zijn familie gold: Doorgaan, Jakob, doorgaan in het licht dat God geeft.

 

Voer in uw leven Gods gevecht

 

Voer in uw leven Gods gevecht

uit alle macht, uit alle recht,

weet als ge strijdt en als gij streeft,

dat Christus overwonnen heeft.

 

En  loop de baan die gij moet gaan,

Hij is uw held, Hij gaat vooraan.

Hij voert u aan, houd gij dan vol,

Hij is de weg, Hij is het doel.

 

Werp af de last, houd Christus vast,

Hij is de gastheer, gij de gast,

Hij zal voorzien wat u ontviel,

Hij is uw hart, Hij is uw ziel.

 

Hef op uw hoofd, hef op uw lied,

want Hij, uw heil, verandert niet,

wees niet bevreesd, geloof alleen,

want Hij is altijd om u heen.

 

                                     Willem Barnard, OKG 812

 

Gebed:

 

God, die ons leven

ontfermend in uw handen houdt:

verhoor ons bidden

en laat uw schepping nieuw worden;

beëindig de nacht 

die de wereld verduistert

en laat uw Zoon het licht zijn

waarin wij elkaar kunnen zien

met nieuwe ogen,

vandaag en in de dagen die komen.

Door Jezus Christus, onze Heer.

Amen.

*