PDF Print

In het hart van de zaak 40

Zondag van de zeven broeders, 14 november 2010

Vijf en twintigste zondag na Pinksteren, 28 in de reeks

 

Het gruwelverhaal van de marteldood van zeven jongens, broers die met hun moeder werden opgepakt op bevel van de bezettende overheid, de koning hemzelf, dit verhaal dat we maar voor een gedeelte lezen, trekt zozeer de aandacht dat de zondag ernaar is vernoemd. Het verhaal is te lang om aan te horen, naast al het andere dat ons wordt aangereikt. We blijven steken bij de vierde zoon van de rampzalige moeder maar het zijn er zeven die worden vermoord na afschuwelijke martelingen. De jongste is misschien wel de dapperste. Hij spreekt zijn eenvoudig geloof uit in de God van Israël en dat brengt de koning tot razernij. Hij wordt nog wreder gemarteld dan de anderen en dan komt de dood als verlossing. Ten laatste stierf ook de moeder. Zo eindigt dit verhaal, dat in het tweede boek Makkabeen is opgeschreven om de Joodse mensen in Egypte een hart onder de riem te steken. Ze werden opgepakt omdat ze weigerden varkensvlees te eten, verboden bij de wet van Mozes. Dat klinkt ongelooflijk, maar het is waar. Dat deden mensen elkaar aan en dat doen ze nog steeds. Varkensvlees, hoofddoekjes, een kruisje als sieraad, stenen door de ramen, een opgeblazen kerk in Bagdad, de poldermoskee die niet kan blijven omdat het onbetaalbaar is.

 

We horen al die berichten, verdragen al die onrust, die voortdurende ruis die ons op min of meer veilige afstand bereikt van het geweld dat de wereld in zoveel vormen teistert.

En altijd weer mensen die het doen en mensen die de dupe zijn, kleine mensen die pesten en jongeren die de straat onveilig maken, ouderen die mopperen en die ontevredenheid uitdragen omdat er zoveel onvrede is in de leefwereld om hen heen.

Je kunt ook een houding innemen waardoor al die dingen je niet raken. Buitenschot blijven, de televisie biedt niet alleen de veelsoortige ellende. Maar er is ook genoeg lol te beleven., amusement om lege tijd te vullen. Maar je kunt niet alles verdringen, bewust of onbewust.

Economische problemen, grote bezuinigingen, slechte toekomstverwachtingen laten zich voelen en richten mensen op zichzelf, op eigen belang, op letterlijk en figuurlijk overleven.

 

Dat klinkt niet vrolijk. De laatste weken van het kerkelijk jaar die we zijn ingegaan, hebben een ernstig en wat droevig karakter. Zoals de novembermaand al begonnen is met de laatste ernst van Allerheiligen en Allerzielen, waarin ook een stille vreugde doorklinkt voor wie het kan verstaan. Je moet in de kerk komen of kans zien om thuis tot bezinning te raken, om de verwachting van de komende Advent te raken, te grijpen, te begrijpen.

Koopzondagen en bedenk maar, helpen je daarin niet verder. Daarvoor heb je geloof nodig met zijn herwaardering van waarden, met een voortdurend opnieuw vaststellen van de gewichten van het bestaan, met het oog op de toekomst en een blik die verder reikt dan het

korte besef van onze maakbaarheid.

Christelijk geloof is een leven leiden in verwachting. Gaan in de voetstappen van Christus.

Hij is gekomen en Hij komt. God vraagt geen mensenoffers. Die jongens en die moeder offerden zich niet op; ze werden gruwelijk vermoord. Mensen maken elkaar tot slachtoffer, slachten elkaar af. Maar de kerkvaders leerden ons al dit: de levende mens is de verheerlijking van God. Leven in verwachting wil zeggen dat het altijd al advent was en advent zal zijn, totdat Hij komt.

 

In de tweede lezing van deze zondag uit de tweede brief aan de Tessalonicensen (3,7-13), een van de oudste Paulusbrieven, moet de apostel reageren op klachten uit de gemeente. Er zijn mensen die vinden dat het er niet meer zo op aan komt nu ze toch in de verwachting leven van de tweede komst van de Heer Jezus Christus. Ze hangen werkeloos rond, schuwen alle moeite en profiteren van de steun die ze ontvangen van de broeders en zusters. Bovendien bemoeien zij zich alles terwijl ze toch het recht van spreken verloren hebben door zo te handelen. Paulus herinnert nog maar eens aan zijn uitspraak toen hij nog in Tessalonica bij hen was: wie niet wil werken, zal ook niet eten.

Nu vermaant hij degenen die dit aangaat in de naam van de Heer, dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen. En tegelijk zegt hij tot de gemeenteleden dat ze niet moe moeten worden het goede te doen. Want daar dreigt inderdaad een nog groter gevaar, dat de stemming in de gemeente er zodanig onder leidt, dat het geloofsleven van de mensen wordt aangetast. En dat is heel wat ernstiger dan het probleem van de moedwillige werkelozen.

 

Nu zijn we aangekomen bij het evangelie van de zondag. Het is voor het eerst dat Lucas de Sadduceeën vermeld in zijn evangelieverhaal. Deze groep mensen komt ons niet onbekend voor want ze worden regelmatig genoemd op andere plaatsen en dikwijls in relatie tot de Farizeeën.

De Joodse samenleving bestond in die tijd uit veel groepen, stromingen die elkaar lang niet altijd verdroegen. De meningsverschillen waren soms groot en ernstig van aard. Zoals ook blijkt uit dit verhaal dat aan Jezus wordt voorgehouden als vraag. Niet voor de aardigheid, maar om hem een hak te zetten. Jezus is niet in te delen in groepen en partijen. Hij is er voor alle mensen, maar zijn sympathie ging toch meer uit naar de Farizeeën.

De partij van de Sadduceeën nam een geheel eigen plaats in. Aanhang onder het volk hadden ze niet, ze vormden een kleine groep mensen, meest afkomstig uit de vooraanstaande priesterlijke families die in de tempel van Jeruzalem een grote rol speelde. Ook hadden ze een plaats in het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad.

Zij vormden een uiterst conservatief blok. Alleen de Thora,de vijf boeken van Mozes accepteerden zij en het overige van de Schrift, de Profeten en de Geschriften, wezen ze af.

De geloofsontwikkeling die in de voorgaande eeuwen had plaatsgevonden binnen het Joodse volk loochenden zij en darmee de opstanding van de doden, het bestaan van engelen en gebruiken die juist door het volk werden onderhouden. Zij waren voorzichtig in hun houding tegenover de Romeinen, die ze liever te vriend hielden als rijke mensen die veel te verliezen hadden. Misschien kunnen wij mede daarom de keuze voor de lezing over de zeven broeders beter verstaan. Tegenover de houding van de Sadduceeën die Jezus geslachtelijk willen maken door hem een onmogelijk verhaal voor te leggen, staat de houding van de jongens en hun moeder; trouw tot in de dood, in het vaste geloof in de opstanding en een voortgezet leven na dit aardse leven.

Veel meer weten we overigens niet van de Sadduceeën. De overlevering was ze niet goed gezind en dat maakt de geschiedschrijving minder betrouwbaar. Na de val van Jeruzalem en de ondergang van de tempel, worden ze niet meer genoemd. Het zijn de Farizeeën die het verslagen volk een nieuwe toekomst voorhouden en daarin een weg wijzen.

 

Zij komen bij Jezus en spreken Hem aan als Meester, rabbi Zelf hanteren ze een rabbijnse methode in de vorm van een verhaal dat we ook elders in de Schrift tegenkomen.

Bijvoorbeeld in het boek, waar Sara zeven mannen had verloren die allen in de huwelijksnacht stierven voordat het huwelijk voltrokken was. God verhoort het gebed van deze wanhopige vrouw. Hij stuurt de engel Rafel om hen te bevrijden: Tobit van zijn blindheid en Sara van de boze machten die haar leven onmogelijk maken, zodat ze aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw kon worden gegeven. (Tobit 3, 7 vlg.).

 

Rabbi, zeggen zij, van wie zal die vrouw in de opstanding de vrouw zijn? Want alle zeven mannen waarmee zij getrouwd was, hebben haar tot vrouw gehad, maar zijn kinderloos gestorven.

Het antwoord van Jezus is duidelijk: de mensen in dit aardse leven huwen en worden ten huwelijk gegeven. Zo gaat het van generatie op generatie. Maar de mensen die waardig gekeurd worden om deel te krijgen aan het voortgezette leven na dit leven en aan de opstanding van de doden, trouwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven. Zij kunnen niet meer sterven omdat zij gelijk zijn aan de engelen, die zich evenmin voortplanten. Op de vele voorstellingen die vooral de Farizeeën zich maakten over het leven na de dood, gaat Jezus niet in. Hij komt de Sadduceeën in hun begrijpen tegemoet, neemt de spot en de belachelijkheid

weg door te wijzen op een tekst uit de Thora, waaraan zij niet voorbij kunnen gaan.

In Exodus 3,13-15 spreekt God tot Mozes als ‘de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’. God is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen, niet alleen deze drie aartsvaders.

De menselijke nieuwsgierigheid naar de gestalten van het hiernamaals is hiermee niet bevredigd. Maar Jezus heeft ons op deze zondag opnieuw verzekerd, dat een mens, die in dit leven voor Gods Aangezicht leeft, ook na zijn dood deze verbondenheid met God voortzet.

God laat ons niet los, ook niet als wij gaan door de schaduwen van de dood.

 

Gij Christus zijt mijn leven.

 

Gij, Christus, zijt mijn leven,

sterven is mij gewin.

Ik heb mijn hart gegeven

aan U, die ik bemin.

 

Met vreugde kan ik scheiden,

in vrede tot U gaan,

die mij zo lang verbeidde,

in U zal ik bestaan.

 

Mijn angsten, ’t loon der zonde

te dragen was uw lot,-

O Broeder, door uw zonden

ben ik verzoend met God.

 

Zwak zijn, o Heer, mijn krachten;

als ik aan ’t einde ben

van woorden en gedachten,

geef, dat ik U herken.

 

Eens als van dit, mijn leven

de kaars is is opgebrand

-de vlam begint te beven,

de nacht neemt overhand-,

 

red dan mijn licht door ’t duister,

ja, laat het, lieve Heer,

in U, in nieuwe luister

stralen voor immermeer

 

Zestiende eeuw, anonym

Vertaling Ad den Besten OKG 706

 

Gebed:

 

Christus van mededogen,

U zorgt ervoor

dat wij in een gemeenschap staan

tot hen die ons zijn voorgegaan

en die zo dicht bij ons

mogen verblijven.

Zij staan al oog in oog met het

Onzichtbare.

Ons bereidt U erop voor

om in navolging van hen

de luister van uw glans te ontvangen.

Gij die leeft en regeert tot in de eeuwen der eeuwen.

Amen.

 

 

 

 

 

*