PDF Print

Het onderscheid der dagen 1ste Advent


Wij hebben een jaargang vol gemaakt. Het C- jaar is met ingang van de Advent afgelost door het A- jaar. Dat klinkt wat nuchter en nietszeggend, maar dat is maar schijn.

We kennen binnen de Westerse traditie- Rooms-katholiek, Oud-katholiek, Anglicaans en sommige protestantse kerken een driejaarlijks leesrooster. Dat is eeuwenlang anders geweest. Het kerkelijk jaar voltrok zich van de eerste zondag van de Advent tot de laatste zondag na Pinksteren. En dan begonnen we opnieuw met dat toch wel wat smalle aanbod van de Romeinse leesrooster

 

Er bestond allang een wens om de ‘rijk gevulde tafel’ van de .Schriften, van het Oude en het Nieuwe testament ruimhartiger te benutten. Het wordt ons immers aangeboden door de Heer onze God die zijn Woord spreekt door middel van de woorden van mensen.

Maar dan moeten die woorden ook gehoor vinden.

Het tweede Vaticaans Concilie heeft het voortouw genomen en een groots werk verricht, daarin spoedig gevolgd door verwante kerken uit de oecumene. Uit de praktijk van de eerste jaren volgde verschillende verbeteringen. In 1993 werd de driejaarlijkse cyclus ook binnen de Oud-katholieke kerk ingevoerd.

 

De evangelisten Matteüs, Marcus en Lucas, kregen een eigen gang door het jaar. Johannes had zijn eigen spoor en we komen hem ieder jaar tegen, vooral in de zogenoemde sterke tijden, zoals de paastijd.

Morgen beginnen we dus opnieuw. De vier Adventszondagen in dit begonnen A-jaar hebben evangelielezingen uit Matteüs.

U kunt ze vinden in de agenda van de website, waar telkens de orde van dienst is opgenomen van de komende zondagen.

Handig, want we lezen immers drie schriftgedeelten, waarvan de eerste altijd is ontleed aan het Oude Testament, in de Advent vooral de grote profeten van Israël.

Daar vindt u dan ook de psalmen en de aangegeven liederen, die eraan bijdragen dat de Advent een geheel eigen sfeer oproept. De Oud-katholieke kerk heeft hier een eigen inbreng, naast dat wat we als christenen uit verschillende kerken gemeenschappelijk hebben.

 

Het naderende kerstfeest omstreeks de midwinterwende en alle romantiek daar omheen bepaalt ook voor een belangrijk deel de stemming. Dat is begrijpelijk want daar loopt de Advent ook op uit. De zon der gerechtigheid gaat over ons op, niet in een mysterieuze opvolging van licht en duister, maar als vervulling van de bijbelse beloften. Het was een christelijke tegenzet in de antieke wereld waar gesproken werd over de Sol Invictus, de onoverwinnelijke zon. Waarbij ook nog werd gezinspeeld op de keizer, de macht van het staatsbestel.

Het kerstfeest mag dan wel wat later zijn vastgelegd, we weten immers niet op welke datum Christus is geboren, maar dat de komst van de Heer wordt verwacht in het duister van de winternacht raakt nog steeds de harten van ontelbare mensen.

Ooit las ik bij Willem Barnard, wat is het nog maar kortgeleden dat hij bij ons was. een wijs woord dat wij moeten vasthouden om ons houvast niet te verliezen. ‘Wij leren in de kerk, dat er vooruitzichten zijn, waar alleen de voorzienigheid het fijne van weet, het hoe en waarom en wanneer.

En de voorzienigheid is niet aan de mensen gegeven, die gaat ons te boven’. Voor ons geldt het geloof dat zich laat gezeggen door degenen die eenmaal het ware menselijk leven hebben gezien en daarin beeld en gelijkenis van Gods wezen. Aartsvaders en profeten, apostelen en evangelisten, zij komen aan het woord in de Advent, zij dragen de hunkering van hun verwachting aan ons over, wij gaan delen in hun geheim, dat aan de Kerk is toevertrouwd. Ook aan Israël, maar vooral ook aan de Kerk die haar trouw bewaard de eeuwen door. Anno Domini 2010, weer een nieuwe Advent.

Hoe bedenken wij christenen in dit multiland, in deze ontkerstende samenleving waar mensen zoveel moeite hebben om samen te leven, hoe bedenken wij een tegenzet?

Zodat het in de Advent niet alleen maar gaat over koopzondagen wintervacanties, kerstmannetjes en decemberzegels die geen kerstzegels meer konden heten vanwege de aanstoot bij een deel van de klantenkring.

Hoe bedenken wij een tegenzet? Wij zouden bijvoorbeeld de vier zondagen naar de kerk kunnen gaan en het beleven met de kinderen hoe het licht ons aanstoot in de morgen. Een , twee, drie, vier kaarsen, op die grote Adventskandelaar die hoog in de kerk dat verrukkelijke gevoel geeft, aan jong en oud, dat het er aankomt.

Je zou er eens over kunnen praten met een medemens die ook wel vermoed dat je met de laatste kerst CD niet zoveel kunt beginnen. Waar gaat dat in Godsnaam over?

Ja, maar dan moet je in de kerk zijn, er zijn, meezingen hoe aarzelend ook, misschien toch weer zoiets als vroeger, meezingen, warmte voelen en diep in je hart voel je dat je er bij hoort.

Kind toch, Maria’s zoon, vanwaar ben je gekomen? We wisten niets van u, we zijn het allemaal kwijtgeraakt en zal het nu toch waar zijn dat Jij ons niet bent kwijtgeraakt.

Dat we mogen delen in het Geheim waarover de Advent spreekt, dat het donker naar het licht gaat, midden in de winternacht.

 

De schrik om het duister heeft de mensen zozeer doordrongen, dat het ‘einde van de wereld’ is bezongen in liederen vol dreiging, geladen woorden die angst aanjagen. Dat is ons in deze tijd niet vreemd. We horen van oorlogen en rampen, van overstromingen en aardbevingen, van water- en voedseltekorten, van klimaatverandering en overbevolking. Maar dat is toch van andere aard. Christenen zingen heel de herfst over de verwachting en in de Advent gaat dat verder. Maar er is een groot verschil. De Kerk verwacht niet het einde, maar de voleinding, de voltooiing, de verwachting van het Koninkrijk dat onder ons is, maar dat nog wacht op de Grote Dag. Verborgen als een geheim, een Epifanie, een verschijning waar ons kerstfeest een voorafbeelding van is. Christenen leven in hoop en niet in angst. Leven tegen de angst in. Het is Advent, wij maken een nieuw begin, wij ontsteken nieuw licht in de nacht, zoals het joodse volk Chanoeka viert in de maand december, acht dagen lang een lichtje meer, als herinnering aan het wonder van Gods bevrijding in de tijden van onderdrukking.

Joden en christenen, wachtend op het Licht.

 

De tijd van Advent is een ‘welaangename tijd’. De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij! Woorden van de apostel Paulus aan de christenen in Rome. De Advent zegt ons dat het zo niet duren kan. Er zal verlossing komen, in dubbele zin; redding voor een wereld verloren in schuld en verlossing als een geboorte. ‘Een Kind wordt u geboren, een Zoon wordt u gegeven’.

 

Nu daagt het in het oosten,

het licht schijnt overal:

Hij komt de volken troosten,

die eeuwig heersen zal.

 

De duisternis gaat wijken

van de- eeuwenlange nacht.

Een nieuwe dag gaat prijken

met ongekende pracht.

 

Zij die gebonden zaten

in schaduw van de dood,

van God en mens verlaten-

begroeten ’t morgenrood.

 

De zonne voor wier stralen

het nacht'lijk duister zwicht

en die zal zegepralen,

is Christus, ’t eeuwig licht!

 

Reeds daagt het in het oosten,

het licht schijnt t overal:

Hij komt de volken troosten,

die eeuwig heersen zal.

 

OKG 568

*