PDF Print

Het onderscheid der dagen, 2de Advent

Het onderscheid der dagen

De Advent als beweging op weg

 

Morgen vieren wij de tweede zondag van de Advent.

De openingszang van de Eucharistie naar gregoriaanse wijs begint met de woorden uit Jesaja 30, 19 O,gij volk van Sion, zie de Heer komt, Hij komt nader als Verlosser van de volken…

De Advent is een tijd van beweging, van verwachting om wat komt, verwachting van het licht dat het duister van de tijd en het donker in een mensenleven komt verlichten en verwarmen.

Dat dit zo is, bespeuren wij als we samenkomen om voor de Eniggeborene de wegen te bereiden, zoals het gebed van deze dag het zegt. Waarom? Opdat wij hem tegemoet gaan die de zonden der wereld wegneemt, onze Heer Jezus Christus.

 

Dat licht en die warmte kunnen wij beleven,met elkaar. Voor zover wij als mensen zoiets aan kunnen. Meestal delen wij in de hunkering die over de hele aarde gaat, een hunkering om een menswaardig leven, opdat wij niet vergeefs geschapen zijn. De Advent wil daar naar toe, elke zondag verder op de weg naar de Komst van de Heer. De lezingen helpen ons daarbij, we zingen ervan, we bidden dat de Herder van Israël uit psalm 80, de ware Adventspsalm, ons zal leiden als zijn schapen om uit te komen op de plaats waar Hij ons verwacht.

 

Die beginwoorden van de openingszang uit de profeet Jesaja zijn wel een selectie uit de woorden van de profeest die eerder woest en bedreigend klinken. Alweer omdat er zoveel omgaat in de wereld, toen en nu, waarvoor we onmogelijk goede woorden kunnen hebben.

Maar de grootmeesters van de liturgie, van het gebed van de Kerk dat standhoudt door de eeuwen, wisten wel wat ze deden.

Die tekst over het volk van Sion, van die al eeuwen verwoest en verlaten stad Jeruzalem, legden ze in de mond van de voorgangers van de apostolische gemeente, Gods volk onderweg. De christenen hadden en hebben evenzeer bemoediging en aansporing nodig als in het verleden het volk Israël. Zoals al die troostwoorden, waarvan het grote boek van de profeet Jesaja vol is, aan een goed adres waren overal waar ze tot klinken werden gebracht.

Nu ging het niet om een gewelddadige ‘verlossing van de volken’ zoals in vroeger tijden gezegd moest worden, maar om het komen van de Verlosser.

En tot het joodse volk in de verstrooiing klonk Jesaja door: je hoeft geen tranen meer te storten. Want Hij zal zich over je ontfermen, als je weeklaagt, Hij zal antwoorden zodra Hij je hoort. Ook voor Israël daagt het in het Oosten, is de blijvende verwachting die wij christenen opnieuw ervaren in de Advent. De messiaanse verwachting gaat door tranen heen.

 

En daar is hij weer: Johannes de Doper! Hoe vertrouwd is hij voor ons en ook weer zo vreemd en ver weg van onze dagelijkse beleving en levenswijze.

Het evangelie van de zondag doet begrijpen waarom Jesaja 30 zo goed past in dit verband van lezingen. Ook bij Johannes klinkt de dreiging door, vooral als hij zich richt tot groepen van mensen die hij verdenkt van een oppervlakkig en onoprecht geloofsleven ‘ dat geen vruchten voortbrengt’. Johannes roept op tot bekering, want het koninkrijk Gods is nabij gekomen. De verwachting van het joodse volk wordt uitgeroepen en vindt gehoor.

Hij was wel een aparte, een opvallend mens. Je werd gedwongen om positie in te nemen. Voor of tegen de boodschap van Johannes, een boodschap van vrede en gerechtigheid. van soberheid en solidariteit met armen en misdeelde.

Mensen als Johannes kennen wij ook wel. Actievoerders voor een goede zaak verschillen dikwijls niet zoveel van de Doper. In elk geval roept hij mensen op- en dus ook ons- om in beweging te komen, ons te bekeren. Niet dat wij alles kunnen. Maar bondgenoten zijn van hem die komen zal, leven uit de Geest die Hij gezonden heeft en zenden zal, vurige mensen zijn, dat is wat van ons wordt gevraagd.

In deze Advent opnieuw met klem.

Dat moet binnen de parochie merkbaar zijn als we ons bekeren, vastberaden ons richten op de goede weg. In Jesaja 30 staat een belofte: met eigen oren zul je een stem achter je horen zeggen: ‘Dit is de weg die je moet volgen. Hier moet je rechts.

Ga daar naar links’

 

Johannes doopte met water. Hij verwijst naar Jezus die zal dopen met de heilige Geest en met vuur. Door de doop die in de praktijk van de Kerk wordt onderhouden, zowel bediend aan kinderen als aan volwassenen, worden wij rijk in de hoop door de kracht van de heilige Geest. Daarmee eindigt de tweede lezing uit de Romeinenbrief van de apostel Paulus.

Ouders moeten hun kleine kinderen daarbij grootbrengen. Die rijkdom voor het elven mag jij je kinderen niet onthouden.

Zondagmorgen wordt er gedoopt tijdens de viering van de Eucharistie. Heel de rijkdom van Christus die Hij schenkt aan zijn geliefde mensen, aan u en aan mij, wordt ons geschonken.

Opdat wij de hoop zouden vasthouden!

 

Er is een roos ontsprongen

 

Er is een roos ontsprongen

aan Davids koningsstam,

een Zoon is ons gegeven,

het Licht dat tot ons kwam.

Wie in het duister lag,

hij heeft het licht zien rijzen,

hij ziet de nieuwe dag.

 

Die in de schoot des Vaders

was voor het morgenrood,

Hem hebt gij, Maagd Maria,

ontvangen in uw schoot.

Gij zijt de dageraad,

gij hebt het licht gedragen,

dat onze nacht verslaat.

 

Eer zij God in den hoge:

de aarde geeft haar vrucht,

glimlach van mededogen,

die op de wereld rust.

God heeft zijn volk verblijd:

wij wonen in de vrede

van zijn goedgunstigheid.

 

OKG 578

*