PDF Print

Het onderscheid der dagen 3de Advent


Het onderscheid der dagen

 

Wij zijn midden in de Adventstijd aangekomen. Op de grote krans hoog in de kerk, branden drie kaarsen en menigeen die zich thuis bij dit mooie gebruik aansluit, telt mee en verspreidt zodoende wat meer licht. Wij christenen zijn niet de enigen die lichtjes ontsteken,in de winternacht. Lichtjes die een betékenis hebben, wat verder reikt dan de gezelligheid die het met zich meebrengt. Wij tellen de weken af, vier weken en dan is hert zover. Dan wordt het kerstmis, het feest van de Geboorte van onze Heer Jezus Christus vermeldt ons Kerkboek in nadrukkelijk cursief. Straks, nog iets verder in de tijd, onderscheiden we zelfs de dagen, de zeven dagen met elk hun diepzinnige antifonen, die voorafgaan aan de nacht van de Komst in de tijd. Toen diepe stilte heerste overal, de nacht in zijn loop de halve weg had afgelegd, kwam uw alvermogend woord, o Heer, van zijn vorstelijke zetel afdalen. Zo wordt er op de octaafdag van kerstmis nog nagemijmerd over het wonder, dat wij niet vatten kunnen, maar dat zich aan de mensen voltrekt. Daar moet het niet bij blijven, zegt het gebed van die dag in alle nuchterheid: bestuur onze daden naar uw welbehagen, opdat wij in de naam van uw welbeminde Zoon rijk worden in goede werken.

 

Het onderscheid der dagen wordt, we zeiden het al, aangeduid door de O-antifonen. In de Latijnse beginletters kan je lezen: ‘morgen zal Ik komen’ en die belofte wordt zorgvuldig op de zeven dagen vóór kerstmis uitgezongen. En waar dat niet lukt met elkaar, mag het ons ook op de Adventszondagen te binnen worden gebracht.

De teksten met de mooie gregoriaanse melodieën staan afgedrukt in het Kerkboek (OKK 177).

 

Maar nu komende zondag, zondag Gaudete, verblijdt u! Er is een wending gekomen die ons blij maakt na al die weken van de voleinding, van het kwaad van de mensen dat ons bang maakt. Ook ons eigen kwaad, onze ongerechtigheden, ons verlaten van de rechte weg , heel de last die we meedragen en meer te maken heeft met duisternis dan met licht.

Maar nu zal het er toch dan komen; nu daagt het in het Oosten, straks schijnt het licht overal, nu is het de vreugde die doorbreekt in de lange herfst van de afwachting.

De Heer is nabij, wordt ons morgen toegezegd, in de woorden uit de brief van Jakobus. Oefent u in geduld en zucht niet tegen elkaar alsof u uw broeders en zusters ook nog eens wilt belasten met wat uw leven soms neerdrukt. Leg liever je zorgen neer bij de Heer, staat er elders. De profeet Jesaja in dat prachtig hoofdstuk 35 dat we zullen lezen, ziet midden in de ellende van de ballingschap uit naar de glorie van de Heer en de luister van zijn God. Blijdschap en vreugde zullen terugkeren, kommer en gezucht zullen wegvluchten.

 

De openingszang van deze blijde zondag bevat woorden uit Filippenzen 4, 4-6 en uit psalm 85,2 waar staat: Gij hebt, Heer, uw land begunstigd, gekeerd hebt Gij het lot van Jakob. De wending die gekomen is in de dagen van de psalmist voor het volkje Israël, breidt zich in onze dagen uit over heel de wereld, voor alle mensen. De engelen zingen ervan en wij horen ze zingen in de kerstnacht: Ere zij God in den hoge en op aarde vrede de mensen van zijn welbehagen.

 

In de nieuwe bijbelvertaling (NBV) wordt dat stukje uit de brief aan de christenen uit Filippi en aan ons, als volgt vertaald:

Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg nog eens: wees altijd verheugd. Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij. Wees over niets bezorgd, maar vraag uw God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden.

 

Is dat ons antwoord op de rijkdom van Gods beloften? Op wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel, om het ouderwets en wat ongewoon te zeggen?

Blij zijn en vriendelijk naar anderen? En dan wat moeilijker in de praktijk: onbezorgd leven, God alles vragen (terwijl zo’’n vraaggebed als het daarbij blijft, nogal verdacht klinkt) en Hem danken in al onze gebeden.?

Is dat alles, die vriendelijkheid bijvoorbeeld?

In een van mijn vroegere parochies bedachten wij dat deze zondag vanouds rozenzondag wordt genoemd. Zoals zoveel in de vergetelheid geraakt. Maar wel mooi om te noemen.

Men schonk elkaar een roos en het schijnt dat dit oude gebruik nog voortleeft als de Paus op deze zondag gouden rozen uitreikt aan mensen die dit toekomt.

Wij leerden ervan en wij deelden rozen uit op deze zondag Gaudete, roze rozen, een vriendelijkheidje dat soms heel wat losmaakt bij mensen die dit nu juist nodig hebben.

 

Jaren later sprak ik weer eens iemand, die toentertijd was toegetreden tot de Oud-katholieke kerk en die zich heel goed thuis voelde in onze parochie. Hij was nog steeds actief betrokken, een meelevend mens, ook naar zijn medemensen toe. De uiteindelijke beslissing kwam toen voort uit zijn ervaring:’de mensen zijn zo vriendelijk en dat had ik nu juist nodig.’

 

 

Onvriendelijk, bot en onverschillig, hatelijk en zelfs bedreigend gedrag.

In het begin van dit verhaal zei ik dat er meer mensen zijn die licht ontsteken en die ook een eigen betekenis daaraan toekennen. In deze dagen denk ik aan de Joodse mensen onder ons, vooral in de stad Amserdam, het Mokum, de Plaats waar je veilig kon zijn en waar je werd geduld in vroeger tijden.

Joden vieren in de decembermaand Chanoeka, een bevrijdingsfeest dat zijn oorsprong vindt in een gebeurtenis uit de geschiedenis, de verzetsstrijd van de Makkabeeën tegenover de bezettingsmacht van de vergriekste Syriër. De opstandelingen weigerden hun geloof en Joodse traditie op te geven in ruil voor de Hellenistische cultuur.

In het eerste boek Makkabeeën (4,49) lezen we dat de aanvoerder Judas, zijn broers en de volksvergadering van Israël bepaalde dat ze ‘;zolang ze leefden, het feest van de Altaarwijding (van de heroverde tempel) jaarlijks acht dagen lang, te beginnen op de 25ste van de maand Kisleew, in vreugde en blijdschap zouden vieren’

Het is een feest dat met overgave wordt gevierd, ook door Joden die het wonderverhaal van Chanoeka laten voor wat het is. Acht dagen lang, elke dag een lichtje meer. Het chanoeka-ijzer wordt in de vensterbank geplaatst, wat demonstratief, zoals bij een bevrijdingsfeest past, maar vooral met de boodschap van Zacharia 4,6: niet met geweld of met brute kracht zal het gelukken, maar met hulp van mijn geest.

Maar waar men probeert de vlam te doven wordt de lamp van de vensterbank genomen en binnen in huis gezet, zodat hij alleen dor de bewoners wordt gezien.

 

Er zijn in onze tijd in Amsterdam, in ons Mokum, geregeld bedreigingen en erger aan het adres van Joodse mensen die al zodanig herkenbaar zijn. Dan laat je het wel achterwege om je licht te laten schijnen voor de mensen. In Israël is de Menora, de grote kandelaar staatsembleem. Het licht van de bevrijding, het licht van de geest, die uitstijgt boven het materiële. De geest van de mens is een lamp des Heren (Spreuken 20, 27). Chanoeka is vóór alles het feest van de hernieuwde toewijding aan het geloof van de Vaderen.

 

Tegen alle bange mensen in de verdrukking, zoals Johannes de Doper in de gevangenis en naar het leven bedreigd, zegt Jezus in het evangelie van zondag: aan de armen wordt het evangelie verkondigd. Goed nieuws, een blij bericht, een boodschap voor alle mensen.

Laat het gehoord én gezien worden.

 

Niek van Ditmarsch, pr.

*