PDF Print

Brief aan een goede vriend (5)

 

Brief aan een goede vriend (5)

Beste Roland,

Er is weer een week voorbij. Het is zondag
a.s. Palmzondag en daarmee begint de Goede Week. Jij vertelde mij dat deze
bijzondere tijd van het kerkelijk jaar allerlei herinneringen bij je wakker
maakt. Zoals we dit met elkaar beleefden in de kerk. We waren niet gewend aan
dagelijkse diensten, maar nu waren die er wel, haast als een
vanzelfsprekendheid. Want nu het er op aan kwam, al die vreselijke dingen die
we hoorden, lezingen vol dreiging, wanhoop en verdriet, nu het ging om wat
mensen kan overkomen, om wat mensen hun medemensen aandoen, nu was het niet
voldoende om thuis op jouw manier betrokken te zijn bij het lijden van Jezus.
Die betrokkenheid wilde zich uiten in de kerk, in de gezamenlijke beleving die
het mogelijk maakt om althans niet voorbij te gaan aan wat er gebeurde, ooit in
Jeruzalem en nog steeds in de wereld.

Het viel mij op hoezeer ons vorige
gezangboek uit 1942/1958 vol is van  deze
medemenselijkheid, wat sterk naar voren komt in de rubriek Vastentijd. Wij
kennen dat ook wel in onze huidige liturgische boeken maar het is toch anders
naar mijn beleving. Zijn wij werkelijke zo onaangedaan, mensen in deze huidige kille
maatschappij? Kost het ons zoveel meer moeite om voor de dag te komen met onze
diepste gevoelens, ook als het gaat om onze geloofsgevoelens?

Hoe kunnen wij dat meemaken; dat dubbele
van Palmzondag, het Hosanna en het Kruisig hem? 

Pasgeleden had ik na de zondagmorgen dienst
een ontmoeting met een aardige man, die mij vroeg om wat informatie. Hij was
Ste Gertrudis binnengelopen nadat hij nieuwsgierig was geworden door enkele  publicaties over de reliekenschat van de
Utrechtse kerk. Zijn kunsthistorische belangstelling maakte dat hij met
bijzondere belangstelling keek naar ons beeld van de heilige Maria met haar
Kind. Jij kent dat nog wel; uit de Buurkerk, bewaard de eeuwen door in de
schuilkerk van Ste Marie in Achter Clarenburg, in 1470 zegt men, vervaardigd
door Adriaan van Wezel, een groot houtsnijder in die dagen.

In 1580 op het nippertje gered uit de
handen van snoodaards , opgehitste mensen die niet wisten wat ze deden. Dat
zijn we vaker tegengekomen in de geschiedenis.

Onze vriendelijke bezoeker had al snel door
wat er aan mankeerde. Het beeld was erg beschadigd, op eenvoudige manier
gerestaureerd (hij zei opgeknapt) en het had geen waarde meer.

Toen dat eruit was zijn we in een bank gaan
zitten en kreeg ik de kans om te vertellen wat de geestelijke waarde is -niet
was- van ons Mariabeeld in de zijbeuk van onze kerk waar zoveel mensen kaarsen
opsteken, soms een bloemetje brengen en gebedsbriefjes achterlaten op hoop van
zegen en met een beroep op deernis van de Moeder van onze Heer. En we kwamen
tot de conclusie dat dit gemankeerde beeld, slachtoffer van de dwaasheid en het
geweld van mensen, ons meer nabij kan zijn dan de schoonheid en het soort
ontroering dat je ook kunt aantreffen en dat je raakt als kunsthistoricus.


Het hart heeft zijn eigen redenen, zei ooit Blaise Pascal.

Zoals de zinspreuk van bisschop van
Neercassel aanbidt God in geest en waarheid  in de schuilkerk van Ste Gertrudis door de
tijden heen richting heeft gewezen aan het verborgen geloof van de parochianen.
Het past nog steeds in de bevinding van de Oud-Katholieke kerk.

Het fijne van deze onverwachte ontmoeting
was dat we elkaar verstonden. En zo zijn we uit elkaar gegaan.

Maar nog zit ik met de vraag hoe het
mogelijk is dat we als christenen zo uit elkaar zijn gegaan. Hosanna en Kruisig
hem!

Hier geen verstaan, geen echt gesprek,
Alleen maar misverstand en aangewakkerde haat.

Hoe is het mogelijk, dat een veelgebruikt gebedenboekje
uit 1514, aanwezig in het parochiebestand en straks onder beheer van de
Universiteitsbibliotheek,

een prachtige houtsnede bevat, een
afbeelding van Maria en haar Kind en de woorden O mater Dei, Memento mei.       


Met alles wat deze woorden oproepen aan
liefdevolle gedachten en sterk vertrouwen.

Hoe is het mogelijk dat in diezelfde eeuw een
vernielende storm raast over het land, geen natuurramp maar aangesticht door
mensen?

Morgen is het Palmzondag. De kinderen met
hun palmstokken en hun blijde gezichtjes hebben geen weet van dit alles, net
zomin als de kinderen van Jeruzalem die in de bomen klommen om palmtakken te
plukken en om alles goed te kunnen zien.

Maar wij hebben wél weet, wij weten genoeg
en onze kennis wordt nog dagelijks vergroot.

En dan kom ik toch terug bij Maria, de
Mater dolorosa, de Moeder van smarten.

Haar afbeelding zien wij, in de stille
teruggetrokkenheid van de zijbeuk.

Voor onze bezoeker had het beeld geen
waarde meer. Voor ons als gelovige mensen des te meer. Zij draagt de zilveren
kroon die het beschadigde hoofd bedekt, met ere. Zij is de vereerde Vrouwe, de
Moeder van onze Heer, zij is onze moeder, ons voorbeeld in leven en sterven.

Gelovige mensen uit de zeventiende eeuw
hebben haar die kroon geschonken. Niet om haar beschadigde hoofd te verbergen,
maar om haar te eren. Ere wie ere toekomt!

In de Openbaring van Johannes lezen we in
hoofdstuk 12, dat er een indrukwekkend teken verscheen in de hemel. Een vrouw,
bekleed met de zon, een lichtende gestalte dus, met de maan onder haar voeten.
Een krans of kroon met twaalf sterren op haar hoofd. Dan denken we aan Israël,
de twaalf stammen en aan Maria die haar kind zal baren en aan heel dat gebeuren
dat ons door de apostelen en de evangelisten is overgeleverd en dat we nu het
Pasen wordt, onontkoombaar gedenken.

Zoals we ook de woorden van de profeten
ophalen en laten klinken en tot ons laten doordringen.

Op Goede Vrijdag lezen we met de Kerk uit
Jesaja 52, 13-53, één van de vier liederen van de lijdende knecht des Heren.
Van wie zegt de profeet dit, vroeg de kamerling uit Ethiopië aan Filippus. Hij
las uit de rol van de profeet Jesaja.

De christenen herkenden Jezus die de weg
van de Messias is gegaan en die het lijden van gans Israël op zich heeft
genomen. Ook ons lijden en onze zonden. De verlossing van het volk, de
verlossing van de wereld.

Wij lezen uit de profeet over de man van
smarten. Geen verschijning die verwondering wekt, niet het bekijken waard.
Een mens die zijn gezicht voor ons verbergt. Geminacht en niet de moeite waard
beschouwd.

Dat lezen wij. Van wie zegt de profeet dit?

Van Christus, degene die komen zou. En met
Hem die naar het vaste geloof van de oude Kerk, met Hem zullen heersen en
eeuwige luister zullen ontvangen (2 Timoteüs 2, 8-13).

Niet de moeite waard,  zegt hij die naar het uiterlijk ziet.

In ons vorige gezangboek, ik zei het al,
komen liederen voor die wij missen.

Een vertaling van het rijmgebed Stabat
mater dolorosa,
 dat in de
middeleeuwse

Lijdensmystiek een geliefde plaats innam,
kennen we als gezang 71 uit het Gezangboek, op een melodie uit 1717. De
vertaling is van Mgr. Engelbertus Lagerwey, lange tijd pastoor van Ste
Gertrudis.

Twee bijbelplaatsen zijn voor dit lied van
belang: Lucas 2, 35, Simeon zegende hen en zei tot zijn moeder Maria: zie,
deze is gesteld tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken dat
tegengesproken zal worden. Ja, ook uzelf zal een zwaard door de ziel gaan,
opdat de gedachten van vele harten openbaar worden.

En daarnaast Johannes 19, 25 bij het
kruis stonden zijn moeder en de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van
Klopas en Maria Magdalena. Toen Jezus dan zijn moeder zag en naast haar de
discipel die hij liefhad, zei hij tot zijn moeder: Vrouw, zie uw zoon. Daarna
zei hij tot de discipel; Zie uw moeder!

En van dat uur af heeft de discipel haar
bij zich opgenomen.

         Om
der mensen grote zonden

         wordt
de Heer in pijn bevonden,

         lijdt
Hij geseling en hoon.

Ach met tranen in
haar ogen

ziet de moeder
diep bewogen

't eenzaam
sterven van haar Zoon.

Bid o moeder,
bron van liefde,

dat ik 't leed
dat u doorgriefde,

met u lijde, met
u draag.

Dat mijn hart in
liefd' ontbrande

tot een reine
offerande,

dat ik God alleen
behaag'

                                         Gezang 71, en 3 en 4 Gezangboek 1958

Dag Roland, een
zegenrijke Goede Week

en alle goeds.



*