PDF Print

Brief aan een goede vriend (22)

Beste Roland,

Vandaag is het overwegend zonnig en ook morgen belooft het een mooie dag te worden.

Het heeft er hier wekenlang heel anders uitgezien. Wisselvallig weer, buien, hardnekkige lage drukgebieden en af en toe ook zon. Maar voor het gevoel van veel mensen zo weinig dat het alleen maar doet verlangen naar meer.

Ik kom hierop naar aanleiding van een gesprek met een parochiane die nog niet zo lang geleden een groot verlies heeft geleden waardoor haar leven drastisch veranderde. Alsof het niet meer écht licht kon worden. Daar konden wij over praten. ‘Je staat er mee op en je gaat er mee naar bed’, zei ze. Maar zo is het geweest en gelukkig is het nu anders geworden. Er is licht in haar leven gekomen, licht van boven maar ook licht om haar heen. En daar wilde zij graag met mij over

praten; over het wonderlijke dat haar is overkomen en over de parochie als helende gemeenschap.

Een gemeenschap van mensen, die in haar verdriet naar beste kunnen een rol heeft gespeeld. En ook haar nuchtere constatering dat je niet teveel mag eisen

want zo is het nu eenmaal, zei ze zelf, het meeste trekt aan je voorbij en dat is maar goed ook. Je zou het niet kunnen verdragen om de ellende van een ander op je nek te nemen. En zeker als je al genoeg hebt aan jezelf’

Vandaag is het een stralende dag. De zon schijnt en verwarmt en verlicht niet alleen de buitenkant, maar bereikt ook ons innerlijk. Maar zoals de zon ondergaat en de nacht begint, zo is het ook met een mens gesteld; het is niet blijvend, het komt en gaat. Het bemoedigd en stelt teleur, het geeft hoop en doet de hoop vergaan. Zij had dan ook niet zozeer de behoefte om te praten over het mooie weer, maar over het mooie dat in haar leven is gekomen. Haar grote verhaal!

Over die zondagmorgen kortgeleden, toen zij in het portaal de deur opentrok van Ste Gertrudis en diep geraakt werd door het licht van de lampen, de weerglans van de kleurige muren en de schilderijen en helemaal vooraan , in het oosten, het altaar, de hoge plaats waar het Geheim op tafel ligt dat ook ons geheim is dat we meedragen, de omgang met Christus in ons stille innerlijk, een licht dat glanst in onze ziel, een blinkende wereld in ons binnenste.

Het kwam van buiten naar haar toe, van volkomen nieuw, maar niet vreemd. Zij zag de vrome pracht van het kerkinterieur dat bestaat ter ere van God en om het hart van de mensen te verheugen. En ze kreeg de woorden te binnen uit de bekende psalm: wat zijt gij bedroefd, mijn ziel, waarom in mij zo terneer geslagen?

Die morgen herkende zij de parochie als de plaats waar zij moest zijn en zij zag het licht, dat ons aansteekt in de morgen en dat de belofte draagt van het licht dat geen avond kent. Die morgen brak tijdens de dienst ook de zon door de ramen. Wij mensen van Ste Gertrudis weten hoe dat is; met de wierookwolk boven het altaar een bijzonder schouwspel. Het doet je steeds weer verbazen, dat die zonnestralen in de morgenuren nog zoveel kunnen toevoegen aan de mooie verlichting van de kerk.

Maar zij mocht het verstaan het als een teken, als een glimlach van God. Ik ken jou wel, Ik weet wie jij bent!

Willem Barnard vertelde mij ooit dat hij bij zo’n gelegenheid het vers te binnen kreeg uit de Duitse mystiek Morgenglans der eeuwigheid .

Morgenglans der eeuwigheid,

Licht aan ’t eeuwig Licht onttogen,

stel ons deze ochtendtijd

uwe heerlijkheid voor ogen

en verdrijf door uwe macht

onze nacht.

Liedboek v.d.K 289, 1

In zijn Rijmbrief aan Sinte Geerte spreekt hij ook over het licht door de kerkramen.

Licht, glans en glorie zijn met de ogen dicht te aanschouwen. Het geloof is niet altijd uitbundig, komt niet altijd de straat op, heeft geen behoefte aan veel gepraat om anderen re overtuigen. Christus Onze Heer kan ons tot zwijgen brengen, tot sprakeloosheid, tot stille aanbidding.

Een monnik van het beroemde klooster van Cluny dichtte in de 12e eeuw een vers over Sion, het hemels Jeruzalem. Daar zijn veel mooie dingen over gezegd, de eeuwen door, zo mooi dat het ons overweldigd.

Hij eindigt met een gebed,

Moge aan ons allen de Heer in de vallende schaduw verschijnen.

Dan staan wij zingende in het omringende licht met de zijnen.

Licht en uitzicht, daarover spraken wij samen. En zo kwamen wij op een ander punt. hoe goed is het dat zij niet thuis is blijven zitten, maar de deur is uitgegaan om de Heer te zoeken waar Hij zich laat vinden. Die gedachte was er niet direct maar dat is haar naderhand duidelijk geworden.

Er is verschil tussen ‘naar de kerk gaan’ en ‘’ik zal opgaan naar het altaar Gods’, de psalmwoorden waarmee wij al eeuwen lang de viering van de Eucharistie beginnen. Naar de kerk gaan is een keuze die je maakt als het zo uitkomt.

Opgaan naar het altaar Gods, naar het huis van de Heer, is de uitdrukking van een verlangen om te zijn bij God, onze hoogste vreugde, zegt psalm 43. Met de woorden van de liturgie die ongetwijfeld bleven staan bij de herziening van onze kerkboeken, zeggen wij dat ‘God altijd weer mijn ziel met vreugd vervult’. Dat moest blijven staan en dat roepen wij dan ook voordat wij onze schuld belijden en de kwade dingen die ontstaan in het verkeer tussen mensen. Vol bedrog en valsheid, zegt de psalm en wij kennen de overleggingen van ons hart en beseffen hoeveel we nalaten te doen, terwijl we misschien zelfs met kleine moeite hert hadden kunnen doen.

Maar uit dat alles worden wij deze morgen verlost, aan de voet van het altaar, in het licht dat ons aanspoort, ons aanstoot. Want wie de psalm verder bidt, zoals we vroeger deden, komt de woorden tegen:

Vestig op God uw hoop, eens zal ik hem weer loven, mijn God en Heiland.

Christus heelt onze wonden en onze pijnlijke plekken in zijn Aanwezigheid onder ons.

God leren wij kennen naarmate men Hem bemint, Iemand heeft dat gezegd uit ervaring en uit zorg naar zijn medemensen.

Ik weet niet meer wie, maar ik schrijf de woorden voor je op:

God kennen: is dat niet de Eucharistie; proeven hoe zoet de Heer is?

Is dat niet U zoeken, naar U luisteren, tot U bidden?

Is dat niet U belijden en uitspreken wie U bent?

Is dat niet aanbidden en stil zijn voor uw Aangezicht,

Is dat niet U ontvangen, diep verlangen U te ontmoeten?

God kennen is door U gezegend zijn, vandaag en morgen….

Alle goeds Roland!

*